Conclusie AG HvJ EU over verschuldigdheid douanerechten na op onregelmatige wijze binnenbrengen van goederen door werknemer

In een geding tussen een Zwitserse rechtspersoon (belanghebbende) en de Duitse douaneautoriteiten, heeft een werknemer van belanghebbende nagelaten om de bevoegde douane-instantie in kennis te stellen van de wederinvoer van een transformator per schip. Op 9 augustus 2010 is een aanslag aan belanghebbende opgelegd, voor een bedrag van ruim € 120.000 aan douanerechten. Bij het HvJ EU zijn prejudiciële vragen gesteld door de Duitse belastingrechter: Moet artikel 202 lid 3 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 aldus worden uitgelegd dat een rechtspersoon douaneschuldenaar wordt, wanneer een van zijn werknemers, die niet zijn wettelijke vertegenwoordiger is, goederen in het kader van zijn bevoegdheid op onregelmatige wijze heeft binnengebracht?

AG Wahl van het HvJ EU heeft conclusie gewezen in deze zaak. Het standpunt van de AG is dat een rechtspersoon als douaneschuldenaar moet worden aangemerkt als een van zijn werknemers – die niet zijn wettelijke vertegenwoordiger is – goederen in het kader van de uitoefening van de hem opgedragen taken en/of bevoegdheden op onregelmatige wijze heeft binnengebracht. De AG stelt daarbij als voorwaarde dat de werknemer wist of redelijkerwijs had moeten weten dat het binnenbrengen op onregelmatige wijze geschiedde. De vraag luidt dus of het gedrag van de werknemer op deze wijze aan belanghebbende kan worden toegerekend.

Volgens de AG moet de mogelijkheid worden uitgesloten dat alleen het gedrag van wettelijke vertegenwoordigers in aanmerking kan worden genomen als het erom gaat de schuldenaar te bepalen. Een dergelijke uitlegging is in strijd met de bepaling van artikel 202 lid 3, die een brede definitie moet geven van de kring van personen die schuldenaar van een douaneschuld kunnen zijn. De prejudiciële vraag dient volgens de AG daarom bevestigend te worden beantwoord.

Indien de vraag bevestigend wordt beantwoord, wenst de verwijzende rechter in het kader hiervan tevens te vernemen of “manifeste nalatigheid” in de zin van artikel 212 bis van het douanewetboek zich uitstrekt tot mogelijke nalatigheid van een werknemer. Hieromtrent stelt de AG dat bij de beoordeling of het gedrag van belanghebbende van manifeste nalatigheid getuigt, niet alleen moet worden uitgegaan van de onderneming zelf of van haar wettelijke vertegenwoordigers. Er dient ook te worden uitgegaan van elke handelende werknemer in het kader van de uitoefening van de aan hem opgedragen taken en zijn bevoegdheden, aldus de AG.

Conclusie A-G Wahl, HvJ EU 26 oktober 2016, nr. C-679/15

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=184844&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=870497