Exportcontrole handel met Iran: verzoek om intrekking catch-all beschikking terecht afgewezen

Bij beschikking van 2 januari 2008 (hierna: catch-allbeschikking 1) heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken aan eiseres medegedeeld dat het eiseres verboden is zonder vergunning ingots van nikkellegering uit te (laten voeren) naar Iran. Bij beschikking van 10 februari 2009 (hierna: catch-allbeschikking 2) heeft de Staatssecretaris aan eiseres medegedeeld dat het eiseres verboden is zonder vergunning onderdelen voor gasturbines naar Iran te (laten) uitvoeren.

Bij brieven van 8 april en 25 augustus 2015 heeft eiseres aan verweerder verzocht om intrekking van beide catch-allbeschikkingen, in verband met de ontwikkelingen die te verwachten zijn op het gebied van het opheffen van sancties tegen Iran dan wel een tussenoplossing te treffen. In zijn reacties heeft verweerder onder meer meegedeeld dat het ministerie beschikt over inlichtingen die aangeven dat de betreffende onderdelen voor gasturbines een rol zullen kunnen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens. Verder stelt verweerder dat het “Joint Comprehensive Plan of Action” nog moet worden bekrachtigd, pas in werking treedt na inspecties en voorziet in gefaseerde opheffing van sancties tegen Iran, waarbij voor bepaalde nucleair gerelateerde sancties een termijn van acht jaar is voorzien. Volgens de verweerder is er hierdoor geen aanleiding om de catch-allbeschikkingen nu al in te trekken.

In het douanegeschil voor de rechtbank Noord-Holland is deze afwijzing van het Ministerie van Economische Zaken in geschil.

Ten aanzien van de eerste catch-allbeschikking heeft eiseres geen procesbelang, nu zij na het opleggen van deze beschikking geen uitvoervergunning voor ingots heeft aangevraagd en zij niet (meer) in deze goederen handelt. In zoverre is het beroep niet-ontvankelijk.

De rechtbank stelt voorop dat de afwijzing van het verzoek van de tweede catch-allbeschikking moet worden beoordeeld naar de situatie ten tijde van de uitspraak op bezwaar, dat is 8 augustus 2016.

Verweerder heeft de afwijzing van het verzoek met name gebaseerd op een door hem op 17 september 2015 ontvangen ambtsbericht van de Nederlandse Inlichtingen- en veiligheidsdienst (NIVD). Verweerder heeft dit ambtsbericht onder geheimhouding aan de rechtbank toegezonden. De rechtbank heeft echter geen kennis kunnen nemen van de inhoud van dit stuk, omdat eiseres, nadat de geheimhoudingskamer had geoordeeld dat beperking van de kennisneming gerechtvaardigd was,  de rechtbank daartoe geen toestemming had verleend.

De gevolgen van het weigeren van toestemming komen ingevolge art 8:29, vijfde lid, van de Awb, volgens de rechtbank in beginsel voor rekening van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding om daar in dit geval anders over te oordelen en gaat dan ook uit van de juistheid van de stelling van de verweerder over dit geheime stuk, namelijk dat op grond van dit stuk ook ten tijde van de uitspraak op bezwaar niet kan worden uitgesloten dat de gasturbines een rol zullen krijgen gerelateerd aan de ontwikkeling van kernwapens.

De rechtbank weegt voorts mee dat eiseres bij vonnis van 18 februari 2019 van de rechtbank van Limburg – wegens het (samen met medeverdachten) opzetten van meerdere schijnconstructies in 2009 en 2010 met als doel om, in strijd met de catch-allbeschikking 2, zonder uitvoervergunning gasturbineonderdelen via een omweg aan klanten in Iran te leveren en wegens valsheid in geschrifte – veroordeeld tot een geldboete. Reeds daarom vindt de door verweerder in zijn bestreden besluit meegewogen omstandigheid dat het vertrouwen van verweerder dat eiseres zich aan de geldende exportcontrolewetgeving houdt schade heeft opgelopen, voldoende grondslag in de feiten.

De stelling van eiseres dat de catch-allbeschikking 2 de concurrentiepositie van eiseres onevenredig benadeelt, volgt de rechtbank niet nu deze beschikking geen uitvoerverbod inhoudt. Dat de vergunningsplicht de handel van eiseres feitelijk onmogelijk maakt, is door eiseres niet aannemelijk gemaakt. Voorts heeft verweerder ter zitting voldoende toegelicht dat ook voor meerdere andere Nederlandse bedrijven een ad hoc vergunningsplicht geldt. Aan alle opgelegde catch-allbeschikkingen ligt een individuele belangenafweging ten grondslag, die afhankelijk van het veiligheidsbelang en de mate van compliance van het bedrijf, per bedrijf verschillend kan uitpakken.

Gelet op het bovenstaande heeft verweerder ook  het verzoek om intrekking van de catch-allbeschikking 2 naar het oordeel van de rechtbank kunnen afwijzen. Verder heeft de verweerder kunnen stellen dat het treffen van een tussenoplossing niet mogelijk is, omdat het omleidingsrisico alleen in concrete gevallen en niet op voorhand kan worden beoordeeld. Het beroep is ongegrond verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:5447