Geen rechtsgeldige directe vertegenwoordiging: vernietiging UTB’s

Douane-expediteur CV A heeft in naam en voor rekening van BV X (hierna belanghebbende) aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s afkomstig uit China. Naar aanleiding van een controle heeft de Inspecteur betoogd dat de voor het vrije verkeer aangegeven scheepscasco’s geen casco’s voor zeeschepen zijn. BV X is aangesproken voor de volgens de Inspecteur verschuldigde douanerechten.

In beroep stelt BV X zich op het standpunt dat zij niet kon worden aangemerkt als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201, lid 3, CDW omdat de douane-expediteur niet beschikte over een geldige volmacht om namens haar op te treden. De betreffende volmacht was slechts door een van de bestuurders van belanghebbende ondertekend, terwijl deze uitsluitend gezamenlijk bevoegd zijn om namens belanghebbende op te treden. Dit blijkt tevens uit het handelsregister. De douane is zonder nader onderzoek ervan uitgegaan dat belanghebbende zich rechtsgeldig heeft laten vertegenwoordigen door de douane expediteur als direct vertegenwoordiger als bedoeld in art. 5 lid 2, aanhef en eerste streepje, CDW.

In cassatie richt het eerste middel zich tegen ’s Hofs oordeel dat belanghebbende rechtsgeldig is vertegenwoordigd door CV A. De Hoge Raad overweegt dat om onder deze omstandigheden te kunnen oordelen dat de douane-expediteur belanghebbende bevoegd heeft vertegenwoordigd als direct vertegenwoordiger in de zin van artikel 5, lid 2, aanhef en eerste streepje, van het CDW, een van de volgende situaties zich moet hebben voorgedaan:

1) de andere bestuurder van belanghebbende heeft voorafgaand aan het doen van de aangifte ingestemd met het verlenen van de volmacht,

2) de andere bestuurder heeft nadien het verlenen van de volmacht bekrachtigd door een verklaring als bedoeld in artikel 3:33 BW in samenhang gelezen met artikel 3:37 BW, gericht tot CV A,

3) de beide bestuurders hebben de in naam van belanghebbende gedane douaneaangiften bekrachtigd door een verklaring als bedoeld in artikel 3:33 BW in samenhang gelezen met artikel 3:37 BW, gericht tot de Inspecteur.

De Hoge Raad oordeelt dat geen van de omschreven situaties zich heeft voorgedaan en daarmee belanghebbende geen douaneschuldenaar is op grond van art. 201 lid3 eerste alinea CDW.

Ook verwerpt de Hoge Raad het bij de rechtbank aangevoerde beroep van de Inspecteur op schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid. Uitgangspunt voor toerekening van schijn van volmachtverlening is dat de wederpartij gerechtvaardigd heeft moeten kunnen vertrouwen op volmachtverlening aan de in werkelijkheid onbevoegden tussenpersoon op grond van feiten en omstandigheden die voor risico van de onbevoegde vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvatting zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Ook dit is niet gebleken.

Hoge Raad 18 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1314