Geen succesvol beroep op verdedigingsbeginsel

Eiseres drijft een onderneming in internationale handel van groente en fruit in de vorm van een besloten vennootschap, BV X.

Ten behoeve van eiseres zijn aangiften ten invoer gedaan voor verse knoflook met aangegeven oorsprong Rusland en Turkije. Naar aanleiding van gerezen vermoedens over de onjuistheid van de bedoelde aangiften is de FIOD een onderzoek gestart. De inspecteur heeft uitnodigingen van betaling opgelegd, omdat hij van oordeel is dat de knoflook afkomstig is uit China. Hiertegen is BV X in beroep gegaan en stelde dat het verdedigingsbeginsel was geschonden nu zij niet was gehoord vóór het uitreiken van de uitnodigen van betaling.

Na cassatie is de zaak verwezen naar het Gerechtshof Amsterdam. Gelet op het verwijzingsarrest moet het hof eerst onderzoeken of er omstandigheden waren die kunnen rechtvaardigen dat belanghebbende niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling is gehoord. Is dat het geval dan moet het hof beoordelen of vaststaat dat voldoende waarborgen bestaan voor opschorting van de tenuitvoerlegging van het bezwarende besluit.

Het hof betrekt nieuwe rechtspraak van het Hof van Justitie die na het verwijzingsarrest is verschenen bij zijn beoordeling. In het arrest op prejudiciële vragen van de Italiaanse cassatierechter (C-276/16, Prequ’ Italia Srl) heeft het Hof van Justitie overwogen dat het vaste rechtspraak is dat het algemene Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geen absolute gelding heeft, maar beperkingen kan bevatten, indien deze werkelijk beantwoorden aan de doeleinden van algemeen belang die met de betrokken maatregel worden nagestreefd, en niet zijn te beschouwen als een onevenredige en onduldbare ingreep, waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast.

Het Hof van Justitie heeft eerder ook erkend dat het algemeen belang van de Europese Unie en met name het belang dat zij heeft bij een snelle inning van haar eigen middelen, vereisen dat de controles direct en doeltreffend kunnen worden uitgevoerd. Betreffende beschikkingen tot invordering van een douaneschuld, is het algemeen belang van de Unie bij een snelle inning van haar eigen middelen de reden waarom artikel 244, van het douanewetboek bepaalt dat instelling van beroep tegen een belastingaanslag slechts tot gevolg heeft dat tenuitvoerlegging van die aanslag wordt opgeschort, alleen wanneer redenen bestaan om aan de overeenstemming van de aangevochten beschikking met de douanewetgeving te twijfelen of indien de belanghebbende onherstelbare schade dreigt te lijden.

Het Hof stelt dat bovenaangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie buiten twijfel stelt dat, wanneer sprake is van een (bezwarende) douanebeschikking, het algemeen belang van de Europese Unie en in het bijzonder het belang dat de Unie heeft bij de snelle inning van haar eigen middelen, een algemeen belang vormen dat rechtvaardigt dat niet vooraf wordt gehoord, als maar vaststaat dat de nationale bepalingen ter uitvoering van de in artikel 244, van het douanewetboek vastgelegde voorwaarden voor opschorting van de tenuitvoerlegging van douanebeschikkingen niet eng worden toegepast of uitgelegd. Dit geldt onverkort voor de in deze zaak nog in geschil zijnde uitnodigingen tot betaling.

De – ten tijde van de bezwaarschriften geldende – Leidraad Invordering 1990 bepaalt dat in het geval een belastingplichtige bezwaar maakt, het bezwaarschrift ook als een verzoek om uitstel van betaling wordt aangemerkt.  Wel wordt bij het verlenen van uitstel voor bedragen vermeld in een uitnodiging van betaling in beginsel altijd zekerheidstelling verlangd. Deze verplichting vloeit voort uit artikel 244, van het douanewetboek.

Derhalve bood de Leidraad voor de onderhavige situaties een adequate waarborg voor opschorting van de tenuitvoerlegging van de UTB’s.

De hiervoor genoemde omstandigheden rechtvaardigen dat de inspecteur in de zaak in kwestie de eiseres niet voorafgaand aan het uitreiken van de uitnodigingen tot betaling in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. Daarom is in dit geval geen afbreuk gedaan aan de eerbiediging van de rechten van verdediging van eiseres en behoeft niet te worden beoordeeld of het besluitvormingsproces van de inspecteur een andere afloop had kunnen hebben.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:1743