Hoge Raad honoreert beroep op het verdedigingsbeginsel

Belanghebbende, een besloten vennootschap, heeft in november 2002 tweemaal aangifte gedaan tot plaatsing van partijen knoflook onder de regeling extern communautair douanevervoer. De terugzendingsexemplaren van de aangiften zijn niet terugontvangen door het kantoor van vertrek. De Inspecteur heeft daarom in januari 2003 aan belanghebbende een mededeling ‘niet-beëindiging regeling douanevervoer’ gedaan, waarbij is verzocht bewijs te leveren dat de regelingen zijn beëindigd, dan wel informatie te verschaffen aan de hand waarvan een nasporingsprocedure kan worden ingeleid. Belanghebbende heeft op deze verzoeken niet gereageerd. Daarna heeft de Inspecteur twee UTB’s voor douanerechten uitgereikt, op de grond dat de partijen knoflook aan het douanetoezicht zijn onttrokken.

 Het Hof heeft geoordeeld dat de mededelingen niet kunnen worden aangemerkt als een vooraankondiging van de UTB’s. Naar het oordeel van het Hof is daarmee sprake van een procedurele fout bij het opleggen van de UTB’s en is het Unierechtelijke beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging geschonden. Het Hof heeft voorts – onder verwijzing naar het arrest Kamino (C-129/13)  – geoordeeld dat een schending van het verdedigingsbeginsel slechts tot nietigverklaring van het genomen besluit leidt, indien de desbetreffende procedure zonder de onregelmatigheid een andere afloop zou kunnen hebben gehad. Aangezien belanghebbende volgens het Hof niet is benadeeld door de procedurele fout, kan aan het beroep op het verdedigingsbeginsel voorbij worden gegaan.

 Het middel van belanghebbende stelt dat het oordeel van het Hof dat van een andere afloop zonder schending van het verdedigingsbeginsel geen sprake kan zijn geweest, onbegrijpelijk is. Voor het Hof heeft belanghebbende onder meer gesteld dat met de douane en de FIOD in een vroeg stadium afspraken zijn gemaakt en dat zij zich, indien haar het voornemen tot het vaststellen van de UTB’s was medegedeeld, aan de hand van die afspraken effectiever had kunnen verdedigen. Hiermee heeft belanghebbende betoogd dat zij voorafgaande aan de vaststelling van de UTB’s een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB’s van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden.

 Volgens de Hoge Raad heeft het Hof nagelaten te toetsen of kan worden uitgesloten dat de inbreng van belanghebbende tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Hierbij is namelijk niet uitsluitend van belang of na de uitreiking van de UTB’s verweermogelijkheden verloren zijn gegaan. De oordelen van het Hof getuigen daarom van een onjuiste rechtsopvatting en het middel slaagt. De UTB’s worden vernietigd.

 Hoge Raad 16 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2077

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:2077