HvJ EU beantwoordt prejudiciële vraag van de Hoge Raad over passieve veredeling

Het HvJ EU heeft een prejudiciële vraag van de Hoge Raad beantwoord over de uitleg van het begrip ‘communautaire veredelaars’. Eerder sprak A-G Saugmandsgaard zich in zijn conclusie al uit over deze zaak. Voor het verloop van het geding en de aan de zaak ten grondslag liggende feiten kan het nieuwsbericht hierover worden geraadpleegd (https://www.debontspoton.nl/douane/conclusie-a-g-hvj-eu-over-ruime-uitleg-begrip-communautaire-veredelaars-en-restrictieve-uitleg-begrip-misbruik-van-recht/).

In het kader van een verzoek om een vergunning voor gebruikmaking van de regeling passieve veredeling, wordt rekening gehouden met de wezenlijke belangen van communautaire producenten van soortgelijke producten als het eindproduct dat uit de voorgenomen veredelingshandelingen zou ontstaan. Met zijn vraag wenste de Hoge Raad te vernemen of er tevens rekening moet worden gehouden met de belangen van communautaire producenten van soortgelijke producten als de niet-communautaire grondstoffen of halffabricaten die bestemd zijn om tijdens deze handelingen te worden vermengd met tijdelijk uitgevoerde communautaire goederen. Volgens de Hoge Raad moet met name worden uitgemaakt of het arrest van 11 mei 2006 (Friesland Coberco Dairy Foods, nr. C-11/05) met betrekking tot de regeling behandeling onder douanetoezicht, kan worden toegepast op de regeling passieve veredeling.

In dit verband moet worden opgemerkt dat de passieve veredeling en de behandeling onder douanetoezicht beide economische douaneregelingen zijn. Aan beide regelingen zijn met name zogenoemde economische voorwaarden verbonden. Artikel 148 subonderdeel c van het douanewetboek van de Unie bepaalt dat de vergunning voor passieve veredeling slechts wordt verleend indien gebruikmaking van de regeling er niet toe leidt dat de wezenlijke belangen van passieve veredelaars worden geschaad.

Hieruit volgt dat de voornaamste doelstelling van een dergelijke economische douaneregeling bestaat in het neutraliseren van bepaalde, voor de bedrijfstak binnen de Unie negatief geachte gevolgen die zouden voortvloeien uit de toepassing van de gewone in- en uitvoerregelingen. In omstandigheden als welke in het hoofdgeding aan de orde zijn, waarin de voorgenomen veredelingshandeling met zich brengt dat een aanzienlijke hoeveelheid niet-communautaire grondstof wordt vermengd met tijdelijk uitgevoerde communautaire goederen, dient te worden vastgesteld dat gebruikmaking van de regeling passieve veredeling ernstige schade zou toebrengen aan de wezenlijke belangen van marktdeelnemers die deze grondstof binnen de Unie produceren.

Het buiten de Unie verrichten van deze veredelingshandeling zou een onderneming immers in staat stellen te ontkomen aan betaling van de douanerechten die gelden voor die grondstof, en die nu juist bedoeld zijn om voornoemde communautaire producenten tegen een dergelijke invoer te beschermen. In die situatie zou gebruikmaking van de regeling passieve veredeling de marktdeelnemer die deze regeling aanvraagt een extra voordeel opleveren, hetgeen dit soort handelingen die toch nadelig zijn voor de belangen van de producenten binnen de Unie, nog gunstiger maakt.

Het Hof concludeert dat er bij een verzoek om een vergunning voor de regeling passieve veredeling, moet worden beoordeeld of is voldaan aan de economische voorwaarden voor gebruikmaking van die regeling. Hierbij moet tevens rekening worden gehouden met de wezenlijke belangen van communautaire producenten van soortgelijke producten als de niet-communautaire grondstoffen of halffabricaten die bestemd zijn om tijdens deze handelingen te worden vermengd met tijdelijk uitgevoerde communautaire goederen.

HvJ EU 21 juli 2016, nr. C-4/15

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=181949&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=412969