HvJ EU beantwoordt vraag Hof Amsterdam over indeling driewielig motorvoertuig

Nadat Aramex een aangifte voor het vrije verkeer heeft gedaan ten behoeve van een voertuig genaamd RD Spyder RS-S 990 SM5 DR 12 EUR (hierna: Spyder) heeft de Belastingdienst op 17 april 2013 een UTB gestuurd waarbij de Spyder qua tarief werd ingedeeld onder onderverdeling
8703 21 10. Aramex heeft hier bezwaar tegen gemaakt, dit bezwaar werd afgewezen. Het ingestelde beroep is ongegrond verklaard, waarna Aramex hoger beroep instelde bij het Hof Amsterdam.

 Tussen partijen is niet in geschil dat de Spyder model heeft gestaan voor verordening nr. 301/2012, waarna de Spyder is ingedeeld onder post 8703. Aramex is echter van mening dat deze verordening ongeldig is. De verwijzende rechter heeft het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd: Is uitvoeringsverordening (…) nr. 301/2012 (…) geldig?

 Met zijn vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of de GN aldus moet worden uitgelegd, dat een driewielig voertuig als in het hoofdgeding, dat is uitgerust met banden die zijn vervaardigd voor driewielige motorrijwielen, maar die lijken op die voor auto’s, wordt bestuurd met behulp van een stuurstang en is voorzien van een stuurinrichting die is gebaseerd op het Ackerman-principe, onder GN-post 8703 valt.

 Om na te gaan of een driewielig voertuig, zoals dat in het hoofdgeding, onder GN-post 8703 kan vallen, moet allereerst worden vastgesteld dat de indeling van driewielige voertuigen onder post 8711 subsidiair is ten opzichte van de indeling ervan onder post 8703. Wat ten eerste de vraag betreft of voor de indeling van een driewielig voertuig onder post 8703 rekening moet worden gehouden met het feit of dat voertuig al dan niet gebruikmaakt van de wielen van motorrijwielen, dient te worden opgemerkt dat de GS-toelichting bij die post aangeeft dat die post met name ziet op lichte driewielige voertuigen waarbij gebruik wordt gemaakt van de motoren en de wielen van motorrijwielen en die door hun mechanische inrichting de kenmerken vertonen van eigenlijke automobielen.

Wat betreft de vraag of driewielige voertuigen die zijn uitgerust met een stuurinrichting waarvan de gelijkenis met die van auto’s zich beperkt tot het feit dat deze is gebaseerd op het Ackerman-principe, dient in herinnering te worden gebracht dat in de toelichting in wezen wordt vermeld dat de voertuigen die onder die post vallen, automobielen van alle soorten zijn, die bepaalde technische kenmerken vertonen zoals een stuurinrichting als van een automobiel, gebaseerd op het Ackerman-principe (HvJ EU 27 april 2006, C‑15/05,EU:C:2006:259) (http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=56249&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=877200). Zelfs als het eerste voorbeeld in de GS-toelichting bij post 8703 geen definitie geeft van het begrip „stuurinrichting zoals van een automobiel”, bepaalt diezelfde toelichting dat „vierwielige motorvoertuigen met een buisvormig chassis en met een stuurinrichting als van een automobiel (bijvoorbeeld een stuurinrichting gebaseerd op het Ackerman-principe)” onder die post vallen.

 Aangezien het feit dat de stuurinrichting van een voertuig als in het hoofdgeding via een stuurstang functioneert en op het Ackerman-principe is gebaseerd, een objectief kenmerk van dat voertuig vormt is de bestemming van het voertuig geen relevant criterium voor de indeling ervan.

Wat de geldigheid van verordening nr. 301/2012 betreft, moet worden vastgesteld dat uit het onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van deze verordening kunnen aantasten, waardoor op de vraag moet worden geantwoord dat de GN aldus moet worden uitgelegd dat een driewielig voertuig als in het hoofdgeding, dat is uitgerust met banden die zijn vervaardigd voor driewielige motorrijwielen maar lijken op die voor automobielen, wordt bediend door middel van een stuurstang en is voorzien van een stuurinrichting die is gebaseerd op het Ackerman-principe, onder GN-post 8703 valt.

 HvJ EU 16 februari 2017, C-145/16

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf;jsessionid=9ea7d2dc30d597e774ee952f42cd963fd5175ff5feec.e34KaxiLc3qMb40Rch0SaxyKchb0?text=&docid=187922&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=1278476