HvJ EU oordeelt over verschuldigdheid rente bij terugbetaling antidumpingrechten

Belanghebbende heeft tussen 2006 en 2012 voor eigen rekening schoenen van oorsprong uit China en Vietnam op het grondgebied van de EU in het vrije verkeer gebracht. De Duitse douane heeft naar aanleiding hiervan antidumpingrechten aan belanghebbende opgelegd. Bij arrest van 2 februari 2012 (nr. C-249/10) heeft het HvJ EU de verordening op grond waarvan de antidumpingrechten zijn opgelegd, gedeeltelijk nietig verklaard. Belanghebbende heeft daarom een bedrag van in totaal ruim € 150.000 aan betaalde antidumpingrechten terugbetaald gekregen. Bij brief heeft zij verzocht om een rentevergoeding over de terugbetaalde bedragen ter hoogte van 8% boven de basisrente, te rekenen vanaf de datum van betaling van de antidumpingrechten.

 Krachtens art. 241 van het douanewetboek kan alleen een nationale wettelijke bepaling grondslag bieden voor de vordering waar belanghebbende om heeft verzocht, zo heeft de verwijzende rechter gesteld. De verwijzende rechter heeft het HvJ EU verzocht te oordelen of gelet op het doeltreffendheidsbeginsel, ook in die gevallen waarin het verzoek om terugbetaling van invoerrechten niet bij een nationale rechter is ingediend, moet worden voorzien in een rentevergoeding over terugbetaalde invoerrechten over de periode vanaf de datum van betaling van deze rechten tot aan de datum van de terugbetaling ervan.

 Uit de ontstaansgeschiedenis van art. 241 van het douanewetboek volgt dat deze bepaling betrekking heeft op de situatie waarin blijkt dat een correctie naar beneden moet worden aangebracht, als gevolg waarvan de door een marktdeelnemer betaalde invoerrechten aan hem moeten worden terugbetaald. In casu berust de terugbetaling van douanerechten niet op een fout bij de berekening van die rechten na vrijgave van de goederen, maar op de nietigheid van de verordening op grond waarvan de antidumpingrechten zijn gevorderd. Art. 241 van het douanewetboek kan een rentevergoeding daarom in beginsel dus niet uitsluiten, aldus het HvJ EU.

 Bovendien blijkt uit rechtspraak van het HvJ EU dat wanneer belastingen zijn geïnd door een lidstaat overeenkomstig een Unieregeling die door de rechter ongeldig of nietig is verklaard, de belanghebbenden die de betrokken belastingen hebben voldaan niet alleen recht hebben op terugbetaling van de betaalde bedragen, maar ook op de rente over die bedragen.

 Het HvJ EU concludeert dat wanneer invoerrechten worden terugbetaald omdat deze zijn geïnd in strijd met het Unierecht, er voor lidstaten een uit het Unierecht voortvloeiende verplichting bestaat om aan de justitiabelen die recht hebben op terugbetaling, de daarover verschuldigde rente te vergoeden. De rente begint te lopen op de datum van betaling door deze justitiabelen van de terugbetaalde rente, zo wordt door het HvJ EU geconcludeerd.

 HvJ EU 18 januari 2017, nr. C-365/15

http://curia.europa.eu/juris/document/document.jsf?text=&docid=186864&pageIndex=0&doclang=NL&mode=lst&dir=&occ=first&part=1&cid=428694