HvJ: Latere btw-fraude ontneemt btw-vrijstelling voor de vertegenwoordiger van de importeur niet

Eerder publiceerde SpotOn Douane een artikel over de conclusie van A-G Kokott in de zaak Vetsch Int. Transporte (zie hiervoor https://www.debontspoton.nl/douane/conclusie-a-g-kokott-latere-btw-fraude-ontneemt-btw-vrijstelling-voor-de-vertegenwoordiger-van-de-importeur-niet/). Op 14 februari 2019 heeft het Hof van Justitie uitspraak gedaan in bovengenoemde zaak.

In onderhavige zaak voerde de douane-expediteur Vetsch in opdracht van twee Bulgaarse ondernemingen B en K in Oostenrijk goederen in. Vetsch diende daarvoor de aangiften als indirect vertegenwoordiger in en heeft verzocht om vrijstelling van de btw. Vervolgens worden de goederen door een andere expediteur verder naar B en K in Bulgarije vervoerd.

B en K hebben de intracommunautaire overbrenging van Oostenrijk naar Bulgarije naar behoren aangegeven en daarover de verschuldigde belasting voldaan. De Bulgaarse ondernemingen hebben de goederen vervolgens (kennelijk met btw) doorverkocht. Deze verkoop hebben zij echter niet wetsconform aangegeven, maar in plaats daarvan hebben zij aangifte gedaan voor een belastingvrije intracommunautaire levering aan Vetsch. Vaststaat dat die laatste levering niet heeft plaatsgevonden. Naar oordeel van de verwijzende rechter hebben B en K zich in zoverre schuldig gemaakt aan btw-fraude in Bulgarije en is gebleken dat dat Vetsch niet hierbij betrokken was.

De hoogste bestuursrechter in Oostenrijk besluit vervolgens een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen. De vraag die opkomt is of Vetsch als vertegenwoordiger van B en K (de importeurs) de btw-vrijstelling overeenkomstig artikel 143, lid 1, onder d, btw-richtlijn kan worden geweigerd, wanneer B en K na de overbrenging van de goederen vanuit de staat van invoer naar een andere lidstaat in een later stadium belastingfraude plegen.

Het Hof merkt op dat de verwijzende rechter zich afvraagt welke invloed een frauduleuze handeling die is verricht in het kader van een intracommunautaire levering die dateert van na de invoer waarop een overbrenging is gevolgd, heeft op het recht om in aanmerking te komen voor de btw-vrijstelling. Opgemerkt wordt verder dat de verwijzende rechter niet twijfelt ten aanzien van de rechtmatigheid van de invoer en de overbrenging die zijn voorafgegaan aan de handelingen waarbij belastingfraude is gepleegd.

Het Hof overweegt dat de invoer waarop een intracommunautaire overbrenging volgt en de levering ten aanzien waarvan fraude is gepleegd beschouwd moeten worden als handelingen die losstaan van elkaar. In bovengenoemde situatie waarin de betrokken fraude in Bulgarije is gepleegd, kan ten aanzien van die (latere) leveringen door de Bulgaarse autoriteiten de vrijstelling worden geweigerd.

Nu vaststaat dat de fraude geen betrekking heeft op de overbrenging waarvan de toekenning van de vrijstelling van de btw bij invoer, kan deze vrijstelling niet worden ontzegd aan de importeur die is aangewezen als de tot voldoening van de belasting gehouden persoon waarin ten eerste de ontvanger van de op die invoer volgende intracommunautaire overbrenging fraude pleegt terwijl die handeling dateert na die overbrenging waarmee zij geen verband houdt en ten tweede niets erop wijst dat de importeur wist of behoorde te weten dat die latere handeling onderdeel uitmaakte van door de ontvanger gepleegde fraude.

Hof van Justitie, ECLI:EU:C:2019:114, C-531/17