HvJ oordeelt over begrip ‘schuldenaar’ bij kunstmatige handelsstromen met oogmerk verlagen invoerrechten

Vennootschap F, gevestigd in Duitsland, heeft in de jaren 2005 en 2006 een aantal douaneaangiften laten opstellen voor het in Nederland in het vrije verkeer brengen van partijen bevroren rauw kippenvlees, afkomstig uit onder meer Brazilië en Argentinië. Vennootschap D bezat in deze periode alle aandelen in F. A, zijn zoon B en een derde, X, waren allen aandeelhouders van D en maakten deel uit van het bestuur. Tot februari 2005 was A ook de bestuurder van F; daarna werd hij vervangen voor X.

De Nederlandse douaneautoriteiten hebben zich op het standpunt gesteld dat A met andere marktdeelnemers een keten van transacties had opgezet met het oogmerk aanvullende rechten te ontwijken. De oorspronkelijke prijs van de producten die waren gekocht van onafhankelijke leveranciers in Zuid-Amerika, werd bij de volgende transacties kunstmatig verhoogd. Op deze manier was de cif-invoerprijs van de betrokken producten hoger dan de reactieprijs, waardoor geen aanvullende rechten verschuldigd waren. De Inspecteur heeft op grond hiervan onder meer aan A een UTB opgelegd.

De Hoge Raad deelt de beoordeling van het Hof Amsterdam dat de in het hoofdgeding betrokken elkaar opvolgende transacties misbruik vormen in de zin van het arrest van 21 februari 2006, Halifax e.a, (http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62002CJ0255) namelijk handelingen die niet waren verricht in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel onrechtmatig voordeel te verkrijgen uit de door het Unierecht toegekende voordelen. De Hoge Raad heeft echter twijfels over de precieze strekking van het begrip “personen die (…) (verkeerde) gegevens hebben verstrekt” in de zin van art. 201, lid 3, tweede alinea van het douanewetboek. De Hoge Raad vraagt zich in het bijzonder af of dit begrip ook van toepassing is op een natuurlijke persoon, zoals A. Gezien hij de voor de opstelling van de douaneaangifte benodigde gegevens niet zelf heeft verstrekt en voor deze verstrekking als orgaan of functionaris van een rechtspersoon niet verantwoordelijk kan worden gesteld. A is echter wel nauw en bewust betrokken geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van vennootschappen en handelsstromen in het kader waarvan anderen dergelijke gegevens hebben verstrekt.

Aangezien A heeft betoogd dat hij pas zo heeft gehandeld nadat door specialisten op het gebied van douanerecht was bevestigd dat die structuur in overeenstemming was met de toepasselijke, met name fiscale, bepalingen, vraagt de Hoge Raad zich bovendien af of deze omstandigheid van invloed is op art. 201, lid 3, tweede alinea, van het douanewetboek, dat de personen die gegevens hebben verstrekt redelijkerwijze hadden moeten weten dat die gegevens verkeerd waren.

In deze omstandigheden heeft de Hoge Raad de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht een prejudiciële beslissing te nemen. Het HvJ oordeelt dat art. 201, lid 3, tweede alinea van verordening nr. 2913/92 aldus moet worden uitgelegd dat onder het begrip “schuldenaar” van de douaneschuld mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen die een verlaging van de wettelijke verschuldigde invoerrechten tot gevolg heeft gehad. Niet relevant is of hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt. Wanneer uit de omstandigheden blijkt dat deze persoon wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de handelingen niet waren uitgevoerd in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel om de door het Unierecht toegekende voordelen op onrechtmatige wijze te verkrijgen, kan deze persoon als schuldenaar worden beschouwd. De omstandigheid dat deze persoon die structuur pas heeft bedacht en opgezet nadat hem door specialisten op het gebied van douanerecht was verzekerd dat die structuur wettig was, is in dit verband niet van invloed.

HvJ EU 19 oktober 2017, C-522/16, ECLI:EU:C:2017:778

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62016CJ0522