HvJ oordeelt over douanewaarde ingevoerde auto’s

BV X koopt bij een in Japan gevestigde fabrikant verschillende typen personenauto‚Äôs die zij op het grondgebied van de EU in het vrije verkeer brengt. De douanewaarde is vastgesteld op basis van de aan de fabrikant betaalde koopprijs. Enige tijd later wordt BV X door de fabrikant verzocht alle eigenaren van een auto van het type A uit te nodigen om een afspraak te maken teneinde kosteloos de stuurkoppeling te laten vervangen. De kosten worden door de fabrikant aan BV X vergoed. De auto’s van het type C en D vertonen bovendien gebreken. De fabrikant heeft het herstel hiervan eveneens aan BV X vergoed.

BV X heeft overeenkomstig art. 236 van het douanewetboek verzocht om gedeeltelijke terugbetaling van de douanerechten die zij voor de auto’s had voldaan. Dit verzoek was gebaseerd op het feit dat de douanerechten van elk van de auto’s in kwestie achteraf lager bleek te zijn dan de oorspronkelijke douanewaarde. De Inspecteur heeft het verzoek ten aanzien van de auto’s van het type A afgewezen op grond dat deze geen ‘gebreken’ vertoonden in de zin van art. 145, lid 2 van de uitvoeringsverordening. Ten aanzien van de auto’s van typen C en D heeft de Inspecteur het verzoek om terugbetaling van douanerechten eveneens afgewezen, en wel op grond dat de in art. 145, lid 3 van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn van twaalf maanden na de datum van aanvaarding van de invoeraangifte was verstreken.

De Hoge Raad wenst van het HvJ te vernemen of art. 145, lid 2 van de uitvoeringsverordening aldus moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie als die welke in dit geding aan de orde is, namelijk waarin wordt vastgesteld dat het risico bestaat dat dit goed bij gebruik ervan defect zal raken en de verkoper om die reden een prijsvermindering toekent in de vorm van een vergoeding van de kosten die de koper heeft gemaakt om het goed zodanig aan te passen dat het risico wordt uitgesloten. Daarnaast vraagt de Hoge Raad zich af of de in art. 145, lid 3 van de uitvoeringsverordening vastgestelde termijn van twaalf maanden geldig is.

Het Hof oordeelt dat art. 145, lid 2 zo moet worden uitgelegd dat het van toepassing is op een situatie waarin wordt vastgesteld dat op de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van een goed het met de fabricage samenhangende risico bestaat dat dit goed bij gebruik ervan defect zal raken. De verkoper kan om die reden ter nakoming van een contractuele garantieverplichting jegens de koper aan deze een prijsvermindering toekennen in de vorm van een vergoeding van de kosten die de koper heeft gemaakt om het goed zodanig aan te passen dat het genoemde risico wordt uitgesloten. Op de tweede vraag antwoordt het Hof dat art. 145, lid 3 ongeldig is voor zover deze bepaling voorziet in een termijn van twaalf maanden vanaf de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen waarbinnen de wijziging van de werkelijk betaalde of te betalen prijs moet plaatsvinden.

HvJ 12 oktober 2017, nr. C-661/15, ECLI:EU:C:2017:753

http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:62015CN0661