Inspecteur verklaart bezwaarschrift in vreemde taal ten onrechte niet-ontvankelijk

A BV heeft op 25 april 2014 als direct vertegenwoordiger van eiseres aangifte gedaan voor in het vrije verkeer brengen van 1.616 zonnepanelen met als land van oorsprong Taiwan. Bij de aangifte is een Certificaat van Oorsprong overlegd van de New Taipei City Chamber of Commerce waarin C LTD te Taiwan als exporteur wordt vermeld. De Bill of Lading vermeldt 28 pallets solar modules met een totaalgewicht van 32.800 kg, verdeeld over twee verzegelde containers.

Het Europees bureau voor fraudebestrijding (hierna OLAF) heeft onderzoek verricht naar Chinese zonnepanelen die vanuit Taiwan naar de EU zijn uitgevoerd. Uit het onderzoek zou naar voren zijn gekomen dat de desbetreffende zonnepanelen vanuit China naar de Free Trade Zone in Taiwan zijn uitgevoerd. De Taiwanese autoriteiten hebben verklaard dat invoer in Taiwan van zonnepanelen uit China verboden is en dat Chinese zonnepanelen in Taiwan alleen tijdelijk mogen worden opgeslagen in de Free Trade Zone, alwaar geen enkele be- of verwerking is toegestaan.

Naar aanleiding hiervan heeft de inspecteur aan eiseres een utb uitgereikt. Hiertegen heeft eiseres een Duitstalig bezwaarschrift ingediend. Hierop heeft de inspecteur aan eiseres een maand de tijd gegeven om een Nederlandse vertaling van deze brief over te leggen, waarna eiseres wederom in het Duits heeft gereageerd en een kopie van de Nederlandse brieven heeft bijgevoegd met daarop de handgeschreven tekst: “Ich kann das nicht lesen”. Vervolgens heeft de inspecteur het bezwaar van eiseres niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift anders dan bedoeld in art. 6:5, derde lid Awb in een vreemde taal was gesteld.

In geschil is eerst of het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard en vervolgens of de utb al dan niet terecht is uitgereikt.

De rechtbank overweegt dat eiseres en verweerder elkaar enige malen voor de uitspraak op het bezwaar hebben gesproken. Deze (telefoon)gesprekken werden in het Duits gevoerd. Dientengevolge wist de inspecteur of had hij kunnen weten dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is. Dat eiseres de Nederlandse taal niet machtig is, blijkt ook uit de (bijlagen bij) brieven van eiseres aan verweerder. Desondanks heeft verweerder voorafgaand aan de uitspraak op bezwaar eiseres niet op een voor haar begrijpelijke wijze erop gewezen dat zij een Nederlandse vertaling van haar bezwaarschrift moest indienen, omdat het bezwaarschrift anders niet-ontvankelijk zou worden verklaard.

De enkele mededeling van verweerder ter zitting, dat bij mondelinge contacten doorgaans tegen procespartijen die de Nederlandse taal niet machtig zijn, op een voor zo’n partij begrijpelijke wijze wordt gezegd dat een bezwaarschrift in het Nederlands moet worden ingediend, is – nu hierover uit de gedingstukken niets blijkt en eiseres dit gemotiveerd heeft betwist – niet voldoende om aan te nemen dat dat in dit geval ook is gebeurd. Dit alles klemt te meer nu verweerder ter zitting heeft verklaard dat zijn medewerkers die mondeling contact hadden gehad met eiseres de Duitse taal machtig zijn. Al het vorenstaande brengt naar het oordeel van de rechtbank met zich dat niet kan worden gezegd dat eiseres voldoende in de gelegenheid is gesteld haar verzuim te herstellen in de zin van artikel 6:6 van de Awb. Dit betekent dat het bezwaar van eiseres naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Haar beroep is in zoverre gegrond.

De rechtbank gaat vervolgens over op de inhoudelijke behandeling van de zaak. Ten aanzien van de oorsprong overweegt de rechtbank dat nu verweerder wenst af te wijken van de aangiften, op hem de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat de zonnepanelen van Chinese oorsprong zijn (vgl. Gerechtshof Amsterdam 22 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5574).

Nu in de stukken van OLAF de uitgevoerde hoeveelheid zonnepanelen niet overeenkomt met de invoeraangifte en ook niet met de zonnepanelen die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de 1.616 stuks zonnepanelen dezelfde zijn als die de oorsprong China zouden hebben. De rechtbank acht daarbij mede van belang dat de containers waarin de zonnepanelen zich bevonden die door eiseres in het vrije verkeer zijn gebracht in Taiwan door de rederij waren verzegeld. Verweerder heeft derhalve niet aan de op hem rustende bewijslast voldaan.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt hiermee de uitspraak op bezwaar en de utb.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBNHO:2019:3730