Niet aannemelijk dat inbreng belanghebbende van belang was geweest bij schending verdedigingsbeginsel

In februari en maart 2007 zijn in totaal vijf UTB’s uitgereikt aan belanghebbende, in verband met het te laag vaststellen van douanewaardes in 2004. Belanghebbende heeft tegen de UTB’s bezwaar gemaakt en tegen het niet tijdig doen van uitspraak op dit bezwaar, beroep ingesteld bij de Rechtbank. Het Gerechtshof heeft vastgesteld dat de Inspecteur het Unierechtelijk beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging heeft geschonden. Door belanghebbende wordt de schending van dit verdedigingsbeginsel niet bestreden. Een schending van dit beginsel leidt echter niet zonder meer tot de vernietiging van de besluitvorming waarop de schending betrekking heeft. Een schending leidt alleen tot nietigverklaring van het betreffende besluit, indien de procedure zonder de schending een andere afloop zou kunnen hebben gehad (HvJ EU van 3 juli 2012, zaak Kamino International Logistics B.V.,C-129/13).

Voor dit oordeel is voldoende te bewijzen dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, degene tot wie de UTB is gericht, een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Omdat het Hof deze toetsing niet correct heeft uitgevoerd, heeft de Hoge Raad de zaak correct gecasseerd. Na verwijzing is daarom slechts in geschil of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat wanneer de schending niet had plaatsgevonden, zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de UTB’s van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden.

Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende, op wie ter zake de bewijslast rust, dit niet aannemelijk heeft gemaakt. In de eerste plaats heeft belanghebbende enkel aangevoerd wat zij had willen onderzoeken en niet wat zij concreet had willen inbrengen. In de tweede plaats zijn de door belanghebbende genoemde onderzoeken die zij had willen verrichten indien de UTB’s vooraf zouden zijn aangekondigd, alle gericht op de onderbouwing van haar stelling dat de provisiebetalingen aan de verkoper in de Verenigde Staten niet bestemd waren voor deze verkoper.

Dat na vaststelling van de UTB’s de daaraan ten grondslag liggende feiten en omstandigheden niet voortvarend aan belanghebbende bekend zijn gemaakt, leidt tevens niet tot een ander oordeel. Volgens het Hof is namelijk gebleken uit datgeen belanghebbende heeft aangevoerd, dat deze omstandigheid niet van invloed is geweest op haar mogelijkheden om haar verdedigingsrechten effectief ten uitvoer te leggen. De slotsom is dat het principale hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat het hoger beroep van de inspecteur gegrond is.

Gerechtshof Amsterdam 23 juni 2016, nr. 15/00713 t/m 15/00722

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:2442