Ondanks jarenlang niet controleren van invoeraangiften en het verstrekken van telefonische inlichtingen blijven UTB’s in stand

In 2009 heeft de douane‑expediteur als direct vertegenwoordiger op naam en voor rekening van belanghebbende, scheepsbouwer, aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van in totaal 27 scheepscasco’s. De scheepscasco’s zijn afkomstig uit China. Op elk aangifteformulier is door de douane-expediteur postonderverdeling 8901 90 10 van de GN opgegeven. Als goederenomschrijving vermelden de aangiften “scheepscasco”.

Als vaststaand feit in cassatie geldt dat in 2006 een douaneambtenaar telefonisch inlichtingen aan een medewerker van de douane-expediteur heeft verstrekt waaruit deze medewerker heeft opgemaakt dat voor de toepassing van het douanetarief casco’s van binnenvaartschepen als zeeschepen worden ingedeeld in de GN. Voorts staat vast dat de aangiften van scheepscasco’s die de douane-expediteur door de jaren heen voor diverse scheepsbouwers heeft gedaan, door de Nederlandse douane niet zijn gecontroleerd op de juistheid van de tariefindeling, met uitzondering van één aangifte, gedaan op 27 maart 2009. In het kader van die controle heeft een douaneambtenaar het desbetreffende scheepscasco onderzocht en daarna dat casco met toepassing van het nultarief voor zeeschepen voor het vrije verkeer vrijgegeven.

Belanghebbende heeft betoogd met een beroep op artikel 239 van het CDW dat er sprake is van een bijzondere situatie die een terugbetaling van de douanerechten reeds betaald op UTB, rechtvaardigt.

De Hoge Raad oordeelt dat hoewel belanghebbende met betrekking tot de scheepscasco’s pas achteraf is geconfronteerd met een heffing van douanerechten, dat verband houdt met het feit dat bij een controle na invoer is vastgesteld dat zij jarenlang op de desbetreffende invoeraangiften een onjuiste tariefpost heeft vermeld, welke tariefpost de douaneautoriteiten bij de vrijgave van de scheepscasco’s hebben overgenomen als grondslag voor de heffing, zonder de juistheid daarvan te verifiëren op de wijze die is voorzien in artikel 68 van het CDW. Het in een aangifte vermelden van een onjuiste tariefpost vormt in het algemeen een vergissing die voor rekening en risico van de aangever behoort te komen. Dit kan anders worden wanneer het vermelden van een onjuiste tariefpost het gevolg is geweest van aan de douaneautoriteiten toerekenbare fouten. Daarvan is in dit geval niet gebleken.

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond en daarmee blijven de UTB’s in stand.

Hoge Raad, 30 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1173

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2017:1173