Ondanks schending verdedigingsbeginsel UTB’s in stand

Na het arrest van de Hoge Raad van 12 augustus 2016 in deze procedure (ECLI:NL:HR:2016:1898), heeft het verwijzingshof Amsterdam nu uitspraak gedaan. In geschil voor alle UTB’s was na verwijzing o.a. nog of de voorwaarden van artikel 220, lid 2, onder b, van het CDW zijn vervuld, zodat de inspecteur gehouden is om af te zien van navordering. Daarnaast houdt partijen verdeeld of het besluitvormingsproces dat heeft geleid tot de vaststelling van de UTB’s tot een andere afloop had kunnen leiden, indien de inspecteur het beginsel van eerbiediging van de rechten van de verdediging niet zou hebben geschonden. Dat het verdedigingsbeginsel is geschonden, staat na cassatie onherroepelijk vast.

Wat betreft het eerste geschilpunt oordeelt het Hof dat er geen sprake is van een vergissing van de inspecteur en vereist om af te zien van de navordering op de voet van art. 220, lid 2, letter b, van het CDW. De inspecteur kan onder de specifieke (casuïstische) omstandigheden van dit geval niet worden verweten dat hij heeft afgezien van het vragen van nadere inlichtingen over de aard van de goederen. Er was volgens het Hof na fysieke opname van de goederen geen grond om aan de juistheid van de aangegeven tariefpost te twijfelen.

Wat betreft de andere afloop-toets over het aanslagbiljet 1 schetst het Hof eerst het juridisch kader: voldoende is dat belanghebbende bewijst dat, wanneer de schending niet had plaatsgevonden, zij een inbreng had kunnen leveren die voor het vaststellen van de op aanslagbiljet 1 vermelde UTB’s van belang was en waarvan niet kan worden uitgesloten dat deze tot een besluitvormingsproces met een andere afloop had kunnen leiden. Het Hof dient een en ander te beoordelen aan de hand van de specifieke feitelijke en juridische omstandigheden van het geval.

Belanghebbende wijst om te voldoen aan deze bewijslast o.a. op de gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar voor één UTB en op het bestaan van grote verschillen in interpretatie tussen rechtbank en Hof van zowel het douanetarief als de toepassing van artikel 220, lid 2, letter b, van het CDW.

Het eerste argument slaagt niet omdat op het aanslagbiljet meerdere UTB’s staan vermeld en daarvan slechts één UTB is verminderd van 325 euro naar nihil. Vermindering van één van de UTB’s dient niet te leiden tot vernietiging van alle op datzelfde aanslagbiljet vermelde UTB’s.

Het tweede argument kan belanghebbende eveneens niet baten omdat zij naar het oordeel van het Hof niet gesteld heeft dat zij vóór uitreiking van de UTB een juridische stelling aan de inspecteur had willen voorhouden en wat die juridische stelling dan zou zijn geweest.

Gerechtshof Amsterdam, 11 juli 2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:3031

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:3031