Prejudiciële vragen over ‘te goeder trouw’-bepaling na navordering ten gevolge van tweede douanecontrole achteraf

De prejudiciële vragen die in deze zaak zijn gesteld, zijn het gevolg van de zaak van 10 december 2015, waarin het Hof van Justitie van de Europese Unie uitleg heeft gegeven over de interpretatie van artikel 78 lid 3 van het communautair douanewetboek (‘Navordering na tweede douanecontrole achteraf toegestaan’ https://www.debontspoton.nl/douane/navordering-na-tweede-douanecontrole-achteraf-toegestaan/). In die zaak werd navordering na een tweede douanecontrole achteraf toegestaan. Het was hierbij niet van belang dat de Letse belastingadministratie eerder geen onregelmatigheden had vastgesteld en (alleen) handelde na een aanwijzing van het Europese Bureau voor fraudebestrijding (hierna: OLAF).

De hoogste bestuursrechter in Letland wenst nadere uitleg omtrent artikel 220 lid 2 subonderdeel b van verordening (EEG) nr. 2913/92 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: de verordening). In dit artikel staat dat niet tot boeking achteraf wordt overgegaan wanneer het wettelijk verschuldigde bedrag aan rechten niet was geboekt door een vergissing van de douaneautoriteiten zelf die de belastingschuldige redelijkerwijze niet kon ontdekken en waarbij de belastingschuldige te goeder trouw heeft gehandeld en aan alle voorschriften van de geldende bepalingen inzake de douaneaangifte heeft voldaan.

Ondanks de eerdere prejudiciële vragen ziet de Letse rechter zich alsnog genoodzaakt om de volgende vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voor te leggen:

  1. Moet de verplichting om te goeder trouw te handelen die aan de importeur wordt opgelegd krachtens artikel 220, lid 2, onder b), van verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, aldus worden ingevuld dat
    a) zij ook inhoudt dat de importeur nagaat onder welke omstandigheden het certificaat – formulier A dat de exporteur heeft ontvangen, is afgegeven (certificaten van de onderdelen waaruit de goederen bestaan, rol van de exporteur bij de vervaardiging van de goederen, enz.)?
    b) de importeur moet worden geacht te kwader trouw te hebben gehandeld alleen al omdat de exporteur te kwader trouw heeft gehandeld (bv. wanneer de exporteur de werkelijke oorsprong van de kosten, de waarde van de onderdelen waaruit de goederen bestaan, enz. niet meedeelt aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer)?
    c) niet aan die verplichting is voldaan wegens het enkele feit dat de exporteur onjuiste informatie heeft verstrekt aan de douaneautoriteiten van het land van uitvoer, ook al hebben ook de douaneautoriteiten zelf vergissingen gemaakt bij de afgifte van het certificaat?
  2. Vormen de algemene beschrijving van de situatie die wordt gegeven in de mededeling van OLAF en de conclusies van OLAF afdoende bewijs dat de importeur heeft voldaan aan zijn verplichting om te goeder trouw te handelen in de zin van artikel 220, lid 2, onder b), van verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, of moeten de nationale douaneautoriteiten daarentegen aanvullend bewijs van het gedrag van de exporteur vergaren?

Instantie: Hof van Justitie van de Europese Unie
Datum verzoek: 27/01/2016

http://www.minbuza.nl/ecer/hof-van-justitie/nieuwe-hofzaken-inclusief-verwijzingsuitspraak/2016/c-zaaknummers/c-47-16-veloserviss.html