Rechtsgeldige vertegenwoordiging ondanks gebrek in volmacht van de douane-expediteur

Belanghebbende is een besloten vennootschap die regelmatig aangifte laat doen voor in het vrije verkeer brengen van scheepscasco’s met als land van oorsprong China. Op 30 maart 2009 is door de Douane een fysieke controle uitgevoerd in het kader van een controleproject inzake dergelijke scheepscasco’s. Bij deze controle bleek – naar de mening van de Inspecteur – dat de scheepscasco’s onder een verkeerde GN-code zijn aangegeven. Naar aanleiding hiervan zijn vier uitnodigingen tot betaling (hierna: UTB’s) aan belanghebbende uitgereikt met een totaalwaarde van meer dan € 500.000. Het Gerechtshof moet oordelen over meerdere geschilpunten.

Ten eerste is in geschil of belanghebbende terecht als douaneschuldenaar is aangemerkt.  Belanghebbende stelt dat zij bij het doen van de aangifte niet rechtsgeldig vertegenwoordigd is door een douane-expediteur. Belanghebbende betoogt dat zij niet als douaneschuldenaar in de zin van artikel 201 lid 3 van het Communautair Douanewetboek (hierna: CDW) kan worden aangemerkt, omdat de expediteur niet over een geldige volmacht beschikte om namens haar op te treden. De overeenkomst voor het optreden als direct vertegenwoordiger was namelijk door slechts één van de bestuurders van belanghebbende ondertekend, terwijl haar bestuurders slechts gezamenlijk (teken)bevoegd zijn.

Het Hof stelt dat uit de ondertekening van één van de bestuurders van belanghebbende en de retournering van de desbetreffende volmachten volgt, dat belanghebbende op de hoogte was van het bestaan van de machtiging. Belanghebbende is in 2007 en 2008 benaderd voor het sluiten van een “Overeenkomst/machtiging voor het optreden als direct vertegenwoordiger”. Belanghebbende heeft de desbetreffende machtigingen aan de douane-expediteur geretourneerd, ondertekend door één van de bestuurders. Uit de ondertekening volgt dat belanghebbende op de hoogte was van het bestaan van de machtiging. De douane-expediteur heeft vervolgens telkenmale aangiften gedaan op naam en voor rekening van belanghebbende. De uit deze aangiften voortvloeiende belastingbedragen heeft de douane-expediteur aan belanghebbende gefactureerd, met daarbij gevoegd de aangiftegegevens uit het geautomatiseerde systeem van de Douane, waaruit duidelijk bleek dat de expediteur was opgetreden als direct vertegenwoordiger van belanghebbende.  Er bestond tussen de expediteur en belanghebbende kennelijk wilsovereenstemming dat de expediteur belanghebbende zou vertegenwoordigen. Hieruit volgt dat belanghebbende rechtsgeldig is vertegenwoordigd en als schuldenaar kan worden aangemerkt.

Als nader geschilpunt stelt belanghebbende dat alle UTB’s moeten worden vernietigd omdat de Douane onzorgvuldig en onrechtmatig jegens haar zou hebben gehandeld. Het zorgvuldigheidsbeginsel zou daarom geschonden zijn.  Wat betreft nagevorderde douanerechten geldt dat het toetsen van een UTB aan nationale beginselen naar het oordeel van het Hof vanwege de directe werking van het Unierecht niet mogelijk. Voor een toetsing aan nationale beginselen is vanwege de derogatieve en uitputtende werking van het Unierecht geen plaats.

Ten aanzien van de eerste en tweede UTB stelt belanghebbende dat het Unierechtelijk verdedigingsbeginsel is geschonden. De schending van het verdedigingsbeginsel zou gelegen zijn in de te korte termijn die haar gegund is voor een reactie (één respectievelijk acht dagen). Naar ’s Hofs oordeel is een reactietermijn van zeven dagen voldoende om op doeltreffende wijze verweer te kunnen voeren. Ten aanzien van de reactietermijn van één dag is er daarom sprake van een schending van het verdedigingsbeginsel. Anders dan belanghebbende betoogt, betekent dit echter niet dat belanghebbende recht heeft op verjaring van de in de betreffende UTB begrepen douaneschulden.

Ook de resterende grieven falen. De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

Gerechtshof Amsterdam 31 mei 2016,  ECLI:NL:GHAMS:2016:2623

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2016:2623