UTB’s gehandhaafd na beantwoording prejudiciële vragen

Belanghebbende heeft als logistiek dienstverlener in 2006 en 2007 drie keer elektronisch aangifte gedaan tot plaatsing van goederen (voedingsmiddelen) onder de douaneregeling extern communautair douanevervoer. De douaneautoriteiten van het kantoor van vertrek hebben aan belanghebbende bericht dat het noodzakelijke terugzendingsexemplaar, dan wel de elektronische terugmelding, niet was ontvangen van de kantoren van bestemming (Antwerpen en Bremerhaven). Belanghebbende werd in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren dat de douaneregeling op regelmatige wijze was beëindigd en heeft daartoe diverse bescheiden aan het douanekantoor van vertrek overgelegd.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de door belanghebbende overgelegde bescheiden geen bewijsstukken vormen in de zin van artikel 365 en 366 van de Uitvoeringsverordening Communautair douanewetboek (hierna: UCDW). De regeling extern communautair douanevervoer kon in alle drie gevallen daarom niet als beëindigd worden beschouwd. Volgens de Inspecteur waren de goederen aan het douanetoezicht onttrokken in de zin van artikel 203 van het Communautair douanewetboek (hierna: CDW). Belanghebbende heeft drie uitnodigingen tot betaling van douanerechten en omzetbelasting uitgereikt gekregen met betrekking tot de vermelde aangiften voor douanevervoer.

Na bezwaar bij de Inspecteur is belanghebbende in beroep gegaan. De Rechtbank heeft geoordeeld dat belanghebbende met de door haar overgelegde bescheiden aannemelijk heeft gemaakt, dat bij de aangiften sprake is geweest van een verzuim dat zonder werkelijke gevolgen is gebleven door de juiste werking van de regeling douanevervoer.

Volgens het Hof is het niet relevant of de goederen het douanegebied hebben verlaten. De Inspecteur heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat geen van de goederen bij het kantoor van bestemming is aangebracht. Het Hof oordeelt voorts dat de door belanghebbende overgelegde bescheiden niet voldoen aan de voorwaarden aan het bewijs voor de beëindiging van het douanevervoer in artikel 365 van de UCDW.

In cassatie constateert de Hoge Raad een discrepantie tussen een arrest van het HvJ EU van 20 januari 2005 (C-300/03, Honeywell Aerospace GmbH, ECLI:EU:C:2005:43, Douanerechtspraak 2005/48) en een arrest van het HvJ EU van 15 mei 2014 (C-480/12, X B.V., ECLI:EU:C:2014:329). Naar aanleiding hiervan besluit de Hoge Raad op 13 juni 2014 tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie.

 

Bij arrest van 29 oktober 2015 heeft het HvJ EU de prejudiciële vragen beantwoord:

“De artikelen 203 en 204 van het CDW moeten aldus worden uitgelegd dat een verzuim om te voldoen aan de verplichting om onder de regeling extern communautair douanevervoer geplaatste goederen aan te brengen op het kantoor van bestemming, niet een douaneschuld doet ontstaan op grond van artikel 204 van het CDW, maar op grond van artikel 203 van het CDW, wanneer de betrokken goederen het douanegebied van de Europese Unie hebben verlaten en het subject van deze regeling niet in staat is documenten over te leggen die in overeenstemming zijn met artikel 365, lid 3, van de UCDW of met artikel 366, leden 2 en 3, van de UCDW.”

Op grond van deze beantwoording stelt de Hoge Raad thans dat het oordeel van het Hof juist is geweest. Doordat de onderhavige goederen niet zijn aangebracht bij een kantoor van bestemming, zijn de goederen aan het douanetoezicht onttrokken. Er is daarom – ongeacht of de goederen buiten het douanegebied van de Europese Unie zijn gebracht – op grond van artikel 203 lid 1 van het CDW een douaneschuld ontstaan.

De middelen van belanghebbende falen en de Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.

Instantie: Hoge Raad
Datum uitspraak: 15 april 2016

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2016:649 (Hoge Raad 15 april 2016)
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2014:1373 (Hoge Raad 13 juni 2014)