Voorheen gebruikelijk snelle afhandeling van aangiften voor in het vrije verkeer brengen en vrijgave van goederen is niet afdwingbaar in kort geding bij de civiele rechter

Een logistiek dienstverlener verzorgt de afhandelingen van luchtpakketten die via e-commerce worden verhandeld. De zendingen komen veelal vanuit China op Schiphol aan, waarna de zendingen een bestemming in de EU krijgen. De logistiek dienstverlener doet hiervoor aangiften voor om de zendingen in het vrije verkeer te brengen en heeft ex art. 23 wet OB een vergunning om de omzetbelasting te verleggen, welke daarvoor noodzakelijk is.

Bij de Douane is kennelijk het vermoeden ontstaan dat over de leveringen geen btw wordt betaald. De Douane besluit vervolgens en stelt de logistiek dienstverlener daarvan op de hoogte, dat zij vanaf dat moment eist dat de logistiek dienstverlener voor elke zending eerst een Power of Attorney overlegt verleend door de leverancier aan de dienstverlener.

Daarnaast heeft de Douane in 2017 en 2018 vervolgens diverse zendingen geblokkeerd, gecontroleerd en niet direct vrijgegeven. Hierop spant de logistiek dienstverlener een kort geding aan omdat zij meent dat de Douane onrechtmatig handelt o.a. omdat de Douane bovenmatig veel controles uitvoert, welke vaak pas na langere tijd worden afgerond en gedurende die tijd de goederen blokkeert. Voorts selecteert de Douane grote hoeveelheden zendingen om te controleren maar ontbreekt het de Douane aan capaciteit om die controles tijdig te kunnen verrichten.

Kort en goed vordert de dienstverlener van de Douane om terug te keren naar de gebruikelijk handelwijze en om in gesprek te gaan en afspraken te maken over de controles en communicatie.

De civiele kamer van de rechtbank wenst het geschil echter niet volledig te behandelen. De kamer overweegt dat het geschil over de gewraakte werkwijze moet worden voorgelegd aan de bestuursrechter en wijst de vorderingen daarover af en acht de dienstverlener op bepaalde punten niet ontvankelijk.

Rechtbank Den Haag 19 juli 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:9599

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBDHA:2018:9599