Wob-verzoek. Douanegegevens met betrekking tot Westelijke Sahara zijn geheim; alleen ten aanzien van controleopdracht is weigering openbaarmaking onvoldoende gemotiveerd door de Staatsecretaris

Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO) heeft een Wob-verzoek gedaan bij het Ministerie van Financiën. Hierin verzoekt zij onder meer alle documenten over de periode oktober 2012 t/m september 2017 ten aanzien van het volgende:

  • de Nederlandse import en transito van producten afkomstig uit de Westelijke Sahara
  • de Nederlandse import en transito van producten, waaronder vis, zout, groenten, fruit, fosfaat, afkomstig uit Marokko en
  • alle beleidsstukken over de etikettering en certificering van producten afkomstig uit de Westelijke Sahara, over de voorwaarde dat de opbrengsten van de bedrijfsactiviteiten in de Westelijke Sahara te goede komen aan de oorspronkelijke Sahrawi-bevolking, over het belastingtarief voor producten afkomstig uit de Westelijke Sahara en, tot slot, over de toepasselijkheid van handel – en associatieverdragen tussen de EU en Marokko op de Westelijke Sahara.

Bij het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van SOMO tegen de nagenoeg volledige afwijzing van haar verzoek gegrond verklaard voor wat betreft het openbaar maken van een brief van de directeur-generaal van de Belasting en Douane Uni van de EU. Voor het overige heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard.

Primair stelt de staatssecretaris zich op het standpunt dat alle gegevens, zoals verzocht onder punt 1 en 2 Wob-verzoek, onder het beroepsgeheim van artikel 12 DWU vallen en dat deze door de rechtstreekse werking voorrang geniet boven de Wob.

Subsidiair stelt de staatsecretaris dat via artikel 1:5 van de ADW de bepalingen uit het DWU, waaronder artikel 12, volledig zijn overgenomen in de nationale douanewetgeving. De ADW is een ook een lex specialis ten opzichte van de Wob. De staatsecretaris is van mening dat het regime van de geheimhoudingsbepaling voortkomend uit het DWU en de ADW niet kan worden doorbroken.

SOMO stelt dat het DWU geen lex specialis is ten opzichte van de Wob. SOMO heeft aangevoerd dat enkel sprake is van een lex specialis als deze wordt vermeld in de Wob.

De rechtbank oordeelt dat het DWU verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in elke Lid Staat. Dit betekent dat het DWU rechtstreekse werking heeft binnen de Nederlandse rechtsorde en daardoor geen voorrang geniet boven het nationale recht. Bij het toepassen van de communautaire geheimhoudingsbepaling van artikel 12 DWU komt men dus niet toe aan de toepassing van de Wob. Bovendien stelt de Rechtbank dat via artikel 1:5 van de ADW, artikel 12 van het DWU  integraal is opgenomen in de ADW. De ADW is volgens de rechtbank een lex specialis ten opzichte van de Wob. Dus het standpunt van SOMO dat enkel sprake is van een lex specialis als die in het Wob vermeld staat, vindt geen steun te vinden in de rechtspraak.

Wat betreft de door SOMO verzochte controleopdracht is rechtbank – nadat zij van het stuk kennis heeft genomen op de voet van art. 8:29 Awb – van oordeel dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het document integraal is geweigerd. De staatssecretaris had het document – nu een deugdelijke motivering ontbreekt – niet integraal mogen weigeren.

De rechtbank biedt de staatssecretaris gelegenheid om het motiveringsgebrek te herstellen nadat de staatssecretaris opnieuw heeft bekeken welke informatie in de controleopdracht openbaar kan worden gemaakt.

ECLI:NL:RBAMS:2019:5777