Zware bewijslast belanghebbende over vergissing douane ten aanzien van oorsprongcertificaat

In de periode 2002 tot en met 2004 importeert Prenatal SA in Spanje kleding uit Jamaica waarop het preferentieel tarief van 0% van toepassing is op basis van door Prenatal SA overgelegde certificaat van oorsprong. Uit OLAF-onderzoek in 2005 volgt echter dat de kleding de oorsprong China had. Vervolgens worden bij Prenatal SA invoerrechten nageheven.

Prenatal SA doet bij de Spaanse douane een beroep op artikel 220, tweede lid onderdeel b CDW, waarbij in het geval de douane een vergissing begaat en de belastingplichtige te goeder trouw is de naheffing achterwege blijft. Tevens wordt een beroep gedaan op artikel 239 CDW waarbij in uitzonderlijke situaties terugbetaling van de invoerrechten kan plaatsvinden. De Spaanse douane verwijst de zaak door naar de Commissie. Deze concludeert dat de zaak feitelijk en rechtens vergelijkbaar is met een andere zaak (ECI). Met verwijzing naar deze zaak doen de Spaanse autoriteiten de zaak af zonder teruggaaf van invoerrechten. Hierop gaat Prenatal in beroep. De hoogste rechterlijke instantie stelt vervolgens prejudiciële vragen waarop A-G Sharpston thans conclusie heeft gewezen.

De rechtsvraag houdt in: wist of had de douane moeten weten dat de goederen geen preferentiële oorsprong hadden en heeft de douane daarmee een vergissing begaan – d.m.v. het (desondanks) afgeven van het oorsprongscertificaat –  die voor rekening en risico van de douane zou moeten komen?

A-G Sharpston overweegt dat er een zware bewijslast ligt bij Prentatal SA om aan te tonen dat de autoriteiten feitelijk wisten van de vergissing. Een door Prenatal SA overgelegd controlerapport waaruit blijkt dat er een groot verschil aanwezig was met betrekking tot productiecapaciteit en de hoeveelheid aan export van deze lokale fabriek is daarvoor onvoldoende nu dit rapport slechts betrekking heeft op een periode van twee weken. Dit is onvoldoende om aan te tonen dat de douane wist of behoorde te weten gedurende de gehele periode 2002-2004 er sprake was van een andere oorsprong dan Jamaica. De A-G concludeert tot ongegrond verklaring van het beroep.

Ten aanzien van artikel 239 CDW concludeert de A-G ook dat er niet voldoende aanleiding is om te spreken van een uitzonderlijke situatie die tot teruggaaf kan leiden.

Douane Update 2019-0078, C-589/17