12 maanden celstraf voor belastingadviseur die eigen aangiften opzettelijk onjuist indiende

Aan verdachte, een belastingadviseur, is (onder meer) tenlastegelegd dat hij (als feitelijk leidinggever) belastingfraude heeft gepleegd door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting en loonheffingen in te dienen.

De verdediging heeft naar voren gebracht dat het nadeel voor de Belastingdienst inmiddels ongedaan is gemaakt. Verdachte is bovendien door de Belastingdienst 5 jaar geweigerd als gemachtigde, hetgeen tot uitdrukking zou moeten worden gebracht in de strafmaat. Ook wordt verzocht om geen beroepsverbod op te leggen, nu dat gelet op een eerder opgelegde bestuursrechtelijke maatregel ‘dubbelop’ is. Verdachte heeft (ter zitting) verklaard dat hij sinds zijn aanhouding alles is kwijtgeraakt. Verdachte zou naar eigen zeggen inmiddels € 800.000 hebben betaald aan de Belastingdienst, terwijl het benadelingsbedrag slechts € 180.000 zou bedragen.

Het Hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte gedurende een langere periode leiding heeft gegeven aan de gedraging dat er onjuiste belastingaangiften zijn gedaan en een gebrekkige administratie is gevoerd, wat geleid heeft tot een aanzienlijke benadeling van de Staat.

Het betreft daarbij meerdere vennootschappen waar verdachte volgens het Hof verantwoordelijk was voor de financiële en administratieve gang van zaken. De Belastingdienst dient erop te kunnen vertrouwen dat de aangiften duidelijk, volledig en zonder voorbehoud geschieden. Verdachte heeft het in hem als ondernemer gestelde vertrouwen op ernstige wijze misbruikt en van dit stelsel op grove wijze geprofiteerd. Dit klemt te meer nu verdachte werkzaam was als belastingadviseur en van hem verwacht mocht worden dat hij het belang van het voeren van een volledige en juiste administratie en het doen van tijdige en correcte belastingaangiften inziet, en overeenkomstig handelt.

Daarnaast heeft verdachte naar het oordeel van het Hof misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met een bewijsbestemming. Dat is naar het oordeel van het Hof bijzonder verwijtbaar, waar het gaat om een belastingadviseur, van wie een hoge mate van integriteit mag worden verwacht. Met betrekking tot de stelling van de verdediging dat het nadeel geheel ongedaan is gemaakt, oordeelt het Hof dat op geen enkele wijze is onderbouwd welke ambtshalve opgelegde aanslagen op de overgelegde betalingen zien en welke bedragen/aanslagen ten onrechte zouden zijn opgelegd.

Nu de tenlastegelegde feiten zien op verdachtes eigen administratie en dus niet zijn gepleegd in de uitoefening van zijn beroep, ziet het Hof geen grond om een beroepsverbod op te leggen. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden.

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2017, ECLI:NL:GHARL:2017:9796

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2017:9796