20 maanden gevangenisstraf voor het plegen van fraude, valsheid in geschrifte en witwassen

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan het plegen van valsheid in geschrift en (gewoonte-)witwassen. Hierbij is over een periode van vier jaar een substantieel geldbedrag van circa drie miljoen euro ten behoeve van privédoeleinden onttrokken aan rechtspersonen waarover verdachte zeggenschap had. Het aldus verkregen geld werd grotendeels omgezet in onroerende zaken in Nederland en op Bonaire.

Verdachte heeft zich bovendien schuldig gemaakt aan het leidinggeven aan het plegen van valsheid in geschrift door één van zijn B.V.’s, tijdens de handel in biotickets. Bij dit strafbare handelen ging het om een bedrag van in totaal circa twee miljoen euro.

Bij de strafoplegging houdt de Rechtbank in strafverzwarende zin rekening met de bepalende en leidinggevende rol die verdachte in het genoemde strafbare handelen heeft gespeeld, de omvang van de periode waarin het strafbare handelen zich heeft voorgedaan en de omvang van het witgewassen geldbedrag.

Het was verdachte die telkens het initiatief nam tot het bedoelde strafbare handelen en die anderen – personeel van zijn ondernemingen en zijn echtgenote – daarin heeft meegezogen. Zijn belangrijkste drijfveer daarbij was het eigen financieel gewin. Naar het oordeel van de Rechtbank getuigt het handelen van de verdachte van een grote mate van brutaliteit en tegelijkertijd van een ernstige mate van onverschilligheid ten aanzien van de regelgeving en het belang van een gezonde bedrijfsvoering voor zijn onderneming. De Rechtbank acht de feiten zeer ernstig en rekent deze de verdachte zwaar aan.

In het voordeel van verdachte houdt de Rechtbank er nadrukkelijk rekening mee dat verdachte, nadat hij werd betrapt en met de onderzoeksbevindingen werd geconfronteerd, goed heeft meegewerkt in het opsporingsonderzoek. Ook wordt in het voordeel van verdachte meegewogen dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Wel houdt de Rechtbank in het kader van samenloop er rekening mee dat tijdens deze strafrechtelijke procedure aan verdachte een strafbeschikking is opgelegd wegens overtreding van het Asbestverwijderingsbesluit alsook dat de redelijke termijn met een periode van één jaar en tien maanden is geschonden.

Op grond van het voorgaande, in samenhang bezien, veroordeelt de Rechtbank verdachte tot een gevangenisstraf van dertig maanden, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2019:3019