27 maanden gevangenisstraf en beroepsverbod voor gepleegde (belasting)fraude

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij zich (onder meer) schuldig heeft gemaakt aan het opdracht geven of leiding geven aan het doen van valse aangiften omzetbelasting, valsheid in geschrift en faillissementsfraude.

De Belastingdienst heeft een derdenonderzoek verricht naar aanleiding van de ingediende aangiften omzetbelasting over de 4 kwartalen in 2013. Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door een jaar lang namens de vennootschap waarvan hij feitelijk bestuurder was, onjuiste aangiften omzetbelasting in te dienen waardoor de fiscus een aanzienlijk bedrag aan belastinginkomsten, namelijk ruim € 200.000 is misgelopen.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vervalsing van een zogenaamd WKA-verklaring en het gebruik maken van deze verklaring. Deze had verdachte nodig om bij een factormaatschappij aan te tonen dat hij aan al zijn belastingverplichtingen had voldaan terwijl dit niet het geval was, waardoor de factormaatschappij door deze valse voorstelling van zaken te bewegen de onderneming van verdachte bleef financieren.

Eveneens heeft verdachte zich naar het oordeel van de Rechtbank schuldig gemaakt aan faillissementsfraude. Verdachte heeft zich niet gehouden aan de hem wettelijk opgedragen plicht om een volledige en juiste administratie aan de curator over te leggen. Met zijn handelen heeft verdachte het de curator onmogelijk gemaakt om het faillissement op een juiste wijze af te wikkelen en heeft hij schuldeisers van het failliete bedrijf benadeeld. Volgens de Rechtbank is gebleken dat de schuldeisers van alleen deze vennootschap voor bijna 2,5 miljoen euro zijn benadeeld.

De Rechtbank overweegt dat het niet in het voordeel van verdachte pleit dat hij eerder is veroordeeld voor fraude. Omdat dit feit echter dateert van bijna 10 jaar geleden vóór de feiten waarvoor verdachte nu wordt veroordeeld, zal de Rechtbank de recidive niet als strafverzwarende factor meewegen.

De redelijke termijn is met ongeveer 12 maanden overschreden hetgeen voor de Rechtbank aanleiding is om een korting van 10% toe te passen op de op te leggen straf. Verdachte heeft de bewezenverklaarde feiten begaan in de uitoefening van het beroep van feitelijk bestuurder. Om de maatschappij verder te beschermen zal de Rechtbank tevens een beroepsverbod opleggen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 27 maanden. Tevens wordt verdachte ontzet om als bestuurder van een rechtspersoon op te treden voor de duur van 3 jaren met ingang van het moment dat de opgelegde straf is uitgezeten.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBAMS:2018:7201