6 maanden gevangenisstraf voor vastgoed- en belastingfraude

Aan verdachte is onder meer ten laste gelegd dat hij opzettelijk onjuiste aangifte zou hebben gedaan door een bedrag van € 850.000 niet in zijn aangiften inkomsten- en vennootschapsbelasting op te nemen. Ook wordt verdachte verweten dat hij valsheid in geschrifte heeft gepleegd en valse documenten heeft gebruikt om de belastingfraude buiten het zicht te houden.

Het Hof is van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het valselijk laten opmaken, gebruiken en doen gebruiken van authentieke notariële akten, om zo de bij een vastgoedtransactie gecreëerde winst uit het zicht van de Belastingdienst te houden. Ook heeft hij zich schuldig gemaakt aan valsheid in geschrifte en gebruik gemaakt van valse geschriften, door de nota’s van afrekening van de notaris te doen baseren op de valse aktes en deze als echt en onvervalst aan te bieden aan zijn belastingadviseur. Het Hof overweegt dat het gaat om ernstige feiten.

In het verlengde van deze feiten heeft verdachte zich naar het oordeel van het Hof schuldig gemaakt aan het – als feitelijk leidinggever – onjuist laten doen van een aangifte vennootschapsbelasting. Bij de transactie die ten grondslag lag aan genoemde bewezenverklaarde feiten en de afwikkeling daarvan heeft verdachte, een ervaren ondernemer, ook een ander aangezet tot het plegen van strafbare feiten. Het Hof acht deze omstandigheden strafverzwarend, als ook de omstandigheid dat getracht is door gebruik te maken van verschillende rechtspersonen het zicht op de fiscale fraude te versluieren.

Het Hof komt tot vrijspraak met betrekking tot het verwijt dat verdachte opzettelijk onjuist aangifte inkomstenbelasting heeft gedaan. Uit het dossier blijkt niet dat verdachte een uitkering van € 850.000 aan zichzelf als aandeelhouder heeft gedaan. De omstandigheid dat de rechter in het fiscale vonnis inzake de transactie de feiten anders heeft gewaardeerd, maakt niet dat de strafrechter, op basis van het strafdossier, eensluidend dient te oordelen.

Het Hof weegt in het voordeel van verdachte mee dat de redelijke termijn is overschreden. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 maanden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2019:607