A-G Hoge Raad: BOI is bindend tenzij nieuwe feiten blijken

Advocaat-Generaal mr. Ettema heeft conclusie genomen in de zaak van BV X die voor een importeur aangiften heeft gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van biodiesel uit Canada. Na onderzoek door OLAF legde de inspecteur twee UTB’s op voor meer dan 25 miljoen euro omdat vermoed werd dat de diesel als oorsprong de Verenigde Staten had.

BV X kwam tegen de UTB’s in beroep en stelde dat zij als indirect vertegenwoordiger was opgetreden van een groepsmaatschappij van de importeur, welke een BOI bezat afgegeven door de Britse douaneautoriteiten. Op deze BOI, waarin aan de biodieselmengsels de niet-preferentiële oorsprong Canada was toegekend, deed BV X een beroep.

Het Hof had BV X in het gelijk gesteld en oordeelde dat zij zich rechtsgeldig kon beroepen op de BOI. In cassatie stelt de staatsecretaris dat het Hof de antimisbruikbepaling van art. 25 CDW ten onrechte buiten toepassing heeft verklaard. Zij had namelijk moeten onderzoeken of BV X met het mengen van biodiesel in Canada slechts ontduiking heeft beoogd. Aldus zou dan in de visie van de staatsecretaris geen rechtsgeldig beroep op de BOI kunnen worden gedaan.

De A-G is het met de staatsecretaris eens dat het Hof dit punt had moeten uitzoeken en als het Hof ervan is uitgegaan dat art. 25 CDW nooit kon afdoen aan de verbindendheid van een BOI dan is dat in de visie van de A-G een onjuiste rechtsopvatting.

Hoge Raad, 3 augustus 2017, ECLI:NL:PHR:2017:728

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:PHR:2017:728