Aanslagen en boetes voor KB-Lux-houder die tegoeden op bankrekeningen achterhield voor de fiscus

Aan belanghebbende zijn over de jaren 1990 tot en met 1999 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd en over de jaren 1991 tot en met 2000 navorderingsaanslagen (toen nog van toepassing zijnde) vermogensbelasting. Tevens zijn boetes opgelegd van 100%.

In geschil is of de boetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd. De inspecteur heeft de boetes opgelegd omdat belanghebbende rekeninghouder was van een of meer bankrekeningen bij KB-Lux, daaruit inkomsten heeft genoten en de rekeningen bij de Belastingdienst niet zijn opgegeven. Volgens de inspecteur heeft belanghebbende er bewust voor gekozen een bankrekening te openen in een land met een bankgeheim teneinde de banktegoeden en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de Belastingdienst verborgen te houden. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende houder was van de bankrekeningen bij de KB-Lux, dat de tegoeden aanzienlijk waren en dat deze ten onrechte niet zijn vermeld in de aangiften. Het Hof acht aannemelijk dat belanghebbende het tegoed op en de inkomsten genoten van de bankrekeningen opzettelijk niet in zijn aangifte heeft vermeld. De verkregen gegevens zijn op rechtmatige wijze verkregen zodat deze ook in de procedure kunnen worden gebruikt.

De Rechtbank heeft de boetes gematigd met 10%, nu de aanslagen met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast zijn opgelegd. Anders dan in eerste aanleg, zijn de verschuldigde belastingbedragen in hoger beroep niet berekend met omkering en verzwaring van de bewijslast, maar gebaseerd op de door de KB-Lux verstrekte gegevens, zodat het Hof geen aanleiding ziet om op grond daarvan een matiging toe te passen. De Rechtbank heeft de boetes reeds gematigd met 20% in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof ziet geen reden voor een verdergaande vermindering dan de 20%.

Het Hof merkt op dat de vastgestelde boetes, hoewel wordt uitgegaan van een hoger resterend percentage (namelijk 80% in plaats van 70% welke door de Rechtbank was vastgesteld), door de vermindering van de boetegrondslagen lager zijn dan door de Rechtbank waren vastgesteld.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHARL:2019:59