Aanzienlijk gematigde verzuimboete wegens schending schorsingsvoorwaarden houdt Hof in stand

Belanghebbende is houder van een personenauto. De geldigheid van het kentekenbewijs was geschorst in de periode van 10 september 2015 tot en met 9 september 2016.

De inspecteur heeft op 28 juni 2016 geconstateerd dat de auto geparkeerd stond in een zogenoemde parkeerhaven. Naar aanleiding van deze constatering heeft de inspecteur een naheffingsaanslag en verzuimboete opgelegd van beide € 524.

In geschil is onder meer of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Belanghebbende betoogt in dat verband dat zijn auto niet op de weg heeft gestaan.

Het Hof verwerpt de stelling van belanghebbende dat de auto niet op de (openbare) weg heeft gestaan. De parkeerhaven in de straat waarin belanghebbende woont is, gelet op de wettelijke definitie van het begrip weg, aan te merken als weg in de zin van de belastingwet. Aangezien belanghebbende aldus niet heeft voldaan aan de schorsingsvoorwaarden heeft de inspecteur terecht nageheven.

Een verzuimboete heeft tot doel een gebod tot nakoming van fiscale verplichtingen in te scherpen. Belanghebbende heeft tijdens de schorsing van het kenteken met de auto gebruik gemaakt van de weg. Dit rechtvaardigt in beginsel een boete van 100%. Naar het oordeel van het Hof is niet van belang de wijze waarop of de omstandigheden waaronder van de weg gebruik is gemaakt. Alleen bijzondere omstandigheden of afwezigheid van alle schuld (avas) kunnen aanleiding zijn tot matiging of het achterwege laten van de boete. Dat belanghebbende zich niet heeft gerealiseerd dat de parkeerhaven tot de weg gerekend diende te worden levert echter naar het oordeel van het Hof geen avas op. Belanghebbende had zich beter op de hoogte moeten stellen van de schorsingsvoorwaarden.

De inspecteur heeft de verzuimboete reeds gematigd tot € 52 vanwege de financiële omstandigheden van belanghebbende. Het Hof ziet geen aanleiding voor een verdere matiging van de aan belanghebbende opgelegde verzuimboete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1445