AG wijst het Hof op toepassing van het rechtszekerheidsbeginsel: een rechtsoverweging van de Hoge Raad kan een impliciete bevestiging zijn van eerdere uitleg

Hof Amsterdam heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar wegens het feitelijk leiding geven aan het onjuist of onvolledig indienen van aangiftes en het plegen van valsheid in geschrifte. Door de verdachte is cassatieberoep ingesteld.

Het middel komt op tegen de verwerping door het Hof van het in hoger beroep gevoerde verweer dat inhoudt dat geen sprake was van een aanmerkelijke kans op een onjuiste en een onvolledige c.q. een valse aangifte, omdat het te lage bedrag aan opgegeven omzetbelasting berustte op een pleitbaar standpunt.

Het pleitbaar standpunt spitst zich onder meer toe op de reikwijdte van art. 37 OB.  Op grond van die bepaling wordt hij die op een factuur op enigerlei wijze melding maakt van omzetbelasting welke hij op zichzelf niet verschuldigd is geworden, die belasting toch verschuldigd wordt op het tijdstip waarop hij die factuur heeft uitgereikt.

In een uitspraak van 25 november 2016 van de Hoge Raad is bepaald dat een notariële akte niet wordt aangemerkt als een factuur zoals bedoeld in art. 37 OB. Het Hof heeft overwogen dat de aangifte in casu is gedaan in 2008 waardoor de werking van dit arrest nog geen toepassing heeft. De akte, in casu een nota van afrekening, moest ten tijde van het doen van aangifte dus nog als factuur worden aangemerkt, aldus het Hof.

Volgens de AG heeft de Hoge Raad echter in zijn oordeel uit 2016 tot uitdrukking gebracht dat geen sprake was van een  veranderingen in de wet- en regelgeving. Dat lijkt de AG een belangrijke indicatie dat het standpunt ten tijde van het doen van de aangifte naar objectieve maatstaven gemeten achteraf bezien in zoverre minst genomen pleitbaar was. Het oordeel van het Hof dat de rechtspersoon waaraan de verdachte leiding heeft gegeven reeds op grond van art. 37 OB niet mocht menen dat de in de bewezenverklaring bedoelde aangifte juist was, is in zoverre niet begrijpelijk.

Het gevoerde verweer dat de verdachte en/of de rechtspersoon waaraan hij feitelijk leiding heeft gegeven redelijkerwijs kon en mocht menen dat de in de bewezenverklaring bedoelde aangifte voor de omzetbelasting juist en volledig was, omdat deze was gebaseerd op een pleitbaar standpunt, heeft het Hof verworpen op gronden die de verwerping ervan niet kunnen dragen. Deze deelklacht slaagt.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:493