Art. 6 EVRM verzet zich tegen het opnemen in de boetegrondslag van niet genoten inkomsten

Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2010 en 2011 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd alsmede vergrijpboetes van respectievelijk € 1.400.398 en € 1.448.666.

Belanghebbende is betrokken bij een strafrechtelijk onderzoek als verdachte van deelname aan een criminele organisatie die zich voornamelijk bezig hield met grootschalige verkoop van hennep vanuit een bedrijfspand. Het strafdossier is aan de inspecteur verstrekt. Naar aanleiding daarvan heeft de inspecteur navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en vergrijpboetes opgelegd.

Naar het oordeel van het Hof was belanghebbende zich bewust van het feit dat het zeer aanzienlijke voordeel dat is genoten met de handel in hennep een belastbare baat vormt, hetgeen bovendien een feit van algemene bekendheid is. Belanghebbende heeft onvoldoende aangevoerd om aannemelijk te maken dat de wettelijke verplichting om dergelijke inkomsten in de aangifte te verantwoorden bij hem niet bekend was. In dit verband acht het Hof van belang dat belanghebbende zich in de strafzaak vrijwel steeds heeft beroepen op zijn zwijgrecht; bij de zittingen van de Rechtbank en het Hof is belanghebbende niet verschenen en heeft hij derhalve de gelegenheid voorbij laten gaan om zijn kant van het verhaal te laten horen.

Het Hof acht derhalve aannemelijk dat belanghebbende op de hoogte was van de op hem rustende verplichting om ook uit de illegale bronnen genoten inkomsten aan te geven, doch hij heeft er willens en wetens voor gekozen om niet aan deze wettelijke verplichting te voldoen. Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur aannemelijk gemaakt dat er op het moment van het doen van de aangiften sprake was van voorwaardelijke opzet gericht op het doen van onjuiste aangiften.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank terecht overwogen dat art. 6 EVRM zich verzet tegen het tot de boetegrondslag rekenen van inkomensbestanddelen waarvan niet aannemelijk is gemaakt dat deze door de desbetreffende belastingplichtige zijn genoten. De boetebeschikkingen dienen met 60% te worden gematigd, nu de inspecteur voor beboetingsdoeleinden aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende 40% van de in de navorderingsaanslagen betrokken inkomsten, heeft genoten.

Naar het oordeel van het Hof leidt de omstandigheid dat de navorderingsaanslagen zijn vastgesteld met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast tot aanvullende vermindering van de boetebeschikkingen. De aan de navorderingsaanslag ten grondslag liggende berekeningen getuigen immers van een zekere ruwheid. Het Hof acht in dit kader een vermindering van de aan belanghebbende toerekenbare boetegrondslag met 20% passend en geboden. Ook wordt de vergrijpboete iets verminderd vanwege een onredelijke vertraging.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:3086