Belanghebbende belast en beboet voor niet aangegeven waardestijging aandelen

Naar het oordeel van de inspecteur heeft belanghebbende aandelen in onroerend goed in Duitsland voor een te laag bedrag (door)verkocht. Ten tijde van de verkoop was het belanghebbende immers bekend dat de aandelen veel meer waard waren dan toen deze werden gekocht door belanghebbende. Belanghebbende heeft de verkoopwinst niet vermeld in de aangifte inkomstenbelasting. De inspecteur heeft de waardestijging als winst uit aanmerkelijk belang bij belanghebbende in aanmerking genomen en heeft om die reden een navorderingsaanslag met vergrijpboete van 50% wegens (voorwaardelijk) opzet opgelegd.

Naar het oordeel van de Rechtbank is komen vast te staan dat belanghebbende bij het doen van aangifte aanzienlijke inkomsten wegens winst uit aanmerkelijk belang bewust buiten het zicht van de Belastingdienst heeft trachten te houden. De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende de aandelen in de Duitse vennootschappen tegen een zeer lage (nominale) waarde heeft verkocht aan een derde, terwijl hij op dat moment reeds wist dat de aandelen vanwege de (aanstaande) verkoop van de onroerende zaken sterk in waarde waren gestegen.

Gelet hierop heeft de inspecteur naar het oordeel van de Rechtbank aannemelijk gemaakt dat het aan (voorwaardelijk) opzet van belanghebbende is te wijten dat aanzienlijke inkomsten die hij heeft genoten niet zijn opgegeven in de aangifte inkomstenbelasting. De Rechtbank acht verder de situatie dat het (voorwaardelijk) opzet van de adviseur aan belanghebbende toegerekend wordt van toepassing, nu belanghebbende bekend was met het aanzienlijke winstpotentieel uit (de verkoop van) de aandelen.

Ten aanzien van de vraag of de opgelegde boete passend en geboden is, heeft de Rechtbank rekening gehouden met het feit dat de hoogte van de navorderingsaanslag gebaseerd is op de beschikbare cijfers omtrent de verkoop van het onroerend goed in Duitsland en tevens dat de navorderingsaanslag inhoudelijk niet is bestreden door belanghebbende. Verder houdt de Rechtbank rekening met het feit dat aan belanghebbende eerder een boete is opgelegd omdat hij destijds eveneens inkomsten aan het zicht van de Belastingdienst heeft onttrokken.

De Rechtbank acht een vergrijpboete van 50% passend en geboden. De Rechtbank vermindert – ambtshalve – de boete met € 10.000 vanwege overschrijding van de redelijke termijn.

Rechtbank Gelderland 29 december 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:7087

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2016:7087