Belanghebbende heeft bij de samenwerking met zijn adviseur niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd, zodat de vergrijpboete terecht is

De inspecteur heeft in 2014 bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld. Naar aanleiding daarvan is aan belanghebbende over het jaar 2010 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd voor een bedrag van € 11.466. Er is tevens een boete opgelegd van € 5.314. De verschuldigde omzetbelasting zou in het geheel niet zijn aangegeven en het geclaimde bedrag aan voorbelasting zou niet aannemelijk zijn gemaakt.

Er is een brief van belanghebbende met dagtekening 14 oktober 2016, gericht aan de ontvanger, door de inspecteur aangemerkt als beroepschrift en aan de Rechtbank gezonden.

De Rechtbank heeft deze brief van belanghebbende nog aangemerkt als een ontvankelijk beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar, maar het Hof is van oordeel dat dit ten onrechte is geschied, omdat uit de bewoordingen van de brief onmiskenbaar blijkt dat het jaar 2010 niet is betrokken in de omschrijving van het besluit waarop de geschrift betrekking heeft.

Het Hof overweegt ten aanzien van de boete – indien het Hof daaraan zou zijn toegekomen – dat de stelling dat deze ten onrechte is opgelegd zou zijn verworpen. Uitgangspunt is dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen, er geen aanleiding is voor het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept. De adviseur/boekhouder van belanghebbende, die voor hem de btw-aangiftes deed, ontving van belanghebbende telefonisch de omzetcijfers en de voorbelasting per kwartaal op basis waarvan telkenmale aangifte is gedaan. Daarin is enkel aftrek van voorbelasting geclaimd omdat belanghebbende met zijn adviseur/boekhouder had besproken dat de zogenoemde verleggingsregeling van toepassing kon zijn. In weerwil hiervan zijn toch facturen met btw uitgereikt, wat niet te verenigen valt met de toepassing van de verleggingsregeling. Dat moet belanghebbende hebben beseft, zodat belanghebbende bij de samenwerking met zijn adviseur/boekhouder niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd. Hij mocht niet op de juistheid van de door die adviseur/boekhouder opgestelde aangiften vertrouwen. Belanghebbende moet hebben opgemerkt, dat de door hem gefactureerde btw niet in de aangiften was verwerkt en dat dit niet correct kon zijn. Er is dus sprake van het (voorwaardelijk) opzettelijk indienen van onjuiste (te lage) aangiften omzetbelasting.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2020:1006