Beroep op ne bis in idem gegrond: fiscale boete belet strafrechtelijke veroordeling

De verdachte, een rechtspersoon, maakt deel uit van een groot concern dat sushi-restaurants exploiteert. Uit FIOD-onderzoek is gebleken dat het concern (omzet)belastingfraude heeft gepleegd door contante omzetten uit de kas te verwijderen. Aan het administratiekantoor van het concern werd vervolgens een valse administratie verstrekt waardoor er onjuiste aangiften werd gedaan. De afgeroomde omzet werd gebruikt om werknemers ‘zwart’ te betalen. De verdachte is ten laste gelegd dat deze zich in de jaren 2008 tot en met 2015 schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude, het voeren van een ondeugdelijke administratie en aan het deel uitmaken van een criminele organisatie met als doel het plegen van belastingfraude en gewoontewitwassen.

Vaststaat dat voor de jaren 2011 tot en met 2014 al een fiscale boete is opgelegd en betaald. Volgens de in november 2017 gesloten vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst is de boete opgelegd wegens belastingfraude ten aanzien van inkomstenbelasting, vennootschapsbelasting en loonbelasting, maar niet ten aanzien van omzetbelasting.

In geschil is onder meer in hoeverre de fiscale boete aan vervolging van de verdachte in de wegstaat.

De verdediging beroept zich op het ne bis in idem-beginsel en stelt dat niet voor hetzelfde feit nogmaals een sanctie kan volgen. De officier van justitie zou niet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De Rechtbank overweegt dat in dit geval aan artikel 243 Sv moet worden getoetst. Beoordeeld zal worden of de hierboven genoemde ten laste gelegde feiten ‘hetzelfde feit’ betreffen als het feit dat ten grondslag lag aan de fiscale boete.

Wat betreft belastingfraude is volgens de Rechtbank irrelevant dat als grondslag van de boete niet ook de omzetbelasting is gekozen. Ook maakt het indienen van verschillende soorten belastingaangiften, op verschillende momenten, geen verschil nu alle onjuiste aangiften in de ten laste gelegde periode zijn gedaan. Gelet op de niet-restrictieve uitleg van het ne bis in idem-beginsel is het rechtsbelang van een juiste heffing in dit geval doorslaggevend. Dit belang geldt zowel voor de omzetbelasting als de andere belastingen waarvoor de boete is opgelegd. Hierdoor is er sprake van ‘hetzelfde feit’.

Ook de ondeugdelijke administratie valt volgens de Rechtbank onder ‘hetzelfde feit’ nu het feitelijk hetzelfde handelen betreft. De administratie ligt namelijk geheel ten grondslag aan de onjuiste aangiften. Dat de strafmaat van beide overtredingen (belastingfraude en het voeren van een ondeugdelijke administratie) niet overeenkomen doet hier niets aan af, aldus de Rechtbank.

Ten aanzien van de criminele organisatie is onder meer ten laste gelegd dat deze (gewoonte)witwassen ten doel had. Dat is volgens de Rechtbank wel wezenlijk een ander feit. De Rechtbank merkt op dat witwasbepalingen niet gaan om een juiste belastingheffing maar om de integriteit van het financiële verkeer en om het adagium dat misdaad niet mag lonen. Het niet-ontvankelijkheidsverweer gaat dus niet op wat betreft het (gewoonte)witwassen. Wel wordt de verdachte hiervan vrijgesproken, nu de rechtbank niet is gebleken van enige afstemming of onderlinge verdeling van werkzaamheden tussen de verdachte rechtspersoon en zijn medeverdachten ter zake van de afroomactiviteiten.

https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:RBROT:2020:6589