Blog: Wie kunnen aansprakelijk worden gehouden voor een douaneschuld?

Het schuldenaarschap in het douanerecht staat regelmatig in de belangstelling. Vóórdat een UTB kan worden uitgereikt, dient eerst te worden beoordeeld wie wettelijk voor de douaneschuld aansprakelijk kan worden gehouden. De artikelen 77 t/m 79 DWU bepalen wie schuldenaren (kunnen) zijn bij invoer van goederen. De artikelen 81 t/m 84 DWU bepalen wie schuldenaren (kunnen) zijn bij uitvoer van goederen.

Reikwijdte douaneschuldenaarschap

In de praktijk komt het voor dat degene aan wie een UTB is uitgereikt stelt dat er geen of een ongeldige overeenkomst inzake directe vertegenwoordiging zou zijn. Zie bijvoorbeeld: www.debontspoton.nl/het schuldenaarschap en de douanewaarde van textiel en schoeisel. Ook komt het voor dat de inspecteur de verkeerde rechtspersoon aanslaat voor de douaneschuld, zie de formalistische benadering van de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2016:1903, in cassatie op Hof Amsterdam ECLI:NL:GHAMS:2015:2155.

Een douanevertegenwoordiger (voorheen: expediteur) is in beginsel geen schuldenaar als aangever van de goederen. Maar hij kan ook in een geval van directe vertegenwoordiging toch weer zelf aangeslagen worden als medeschuldenaar. Uit artikel 15 lid 2 DWU (voorheen: artikel 199 van de Toepassingsverordening Communautair Wetboek) volgt dat een ieder die een douaneaangifte indient de aansprakelijkheid aanvaardt voor de juistheid en de volledigheid van de in de aangifte verstrekte inlichtingen. Voorwaarde voor het ontstaan van schuldenaarschap via die route (thans als gevolg van artikel 77 lid 3, 2e volzin DWU, voorheen artikel 201 lid 3, slotzin CDW) is dat diegene wist of redelijkerwijs had moeten weten dat de gegevens die zijn verstrekt ten behoeve van de douaneaangifte, onjuist waren. Zie bijvoorbeeld: www.debontspoton.nl/gebrek aan controle leidt tot medeschuldenaarschap douane expediteur, waarin Rechtbank Noord-Holland de douane-expediteur aansprakelijk achtte voor de douaneschuld wegens een gebrek aan controle op de in de aangifte evident onjuiste verstrekte gegevens.

Prejudiciële vragen aan het HvJ EU

Recentelijk heeft het HvJ EU de door de Hoge Raad gestelde prejudiciële vragen over de reikwijdte van het begrip schuldenaarschap in geval van betrokken derden beantwoord, zie www.debontspoton.nl/hvj oordeelt over begrip schuldenaar bij kunstmatige handelsstromen met oogmerk verlagen invoerrechten.

Het is interessant om vast te stellen dat de douanekamer van het Hof Amsterdam in deze zaak had geoordeeld dat personen ook kunnen worden aangemerkt als schuldenaar van een douaneschuld als zij “als aanstichters (intellectuele daders) kunnen worden aangemerkt”. Daar staat in die visie niet aan in de weg dat zij de desbetreffende onjuiste gegevens niet zelf hebben verstrekt. Zowel de Rechtbank als het Hof was van mening dat in dit geval sprake was van misbruik van recht door met een aantal verbonden partijen een samenstel van rechtshandelingen te creëren met het oogmerk om op de Zuid-Amerikaanse markt voor een relatief lage prijs aangekocht kippenvlees op de Europese markt te brengen tegen een cif-invoerprijs die hoger was dan de bij invoer in de EU geldende reactieprijs zonder aanvullende rechten te moeten betalen. Nadat de Hoge Raad aldus oordeelt dat het Hof de handelingen van betrokkenen terecht als misbruik van recht heeft aangemerkt, stelt de Hoge Raad vervolgens diverse vragen aan het HvJ EU over het douaneschuldenaarschap, waaronder deze:

Kan vader A, als bestuurder van één van de betrokken importeur-vennootschappen in de EU, die zelf niet betrokken is bij of verantwoordelijk is voor het verstrekken van gegevens aan de douane-expediteur voor de invoeraangiften maar wel bij het bedenken en opzetten van de totale importstructuur, ná positief advies te hebben ontvangen van gerenommeerde douanerechtspecialisten over de wettigheid van de structuur, als schuldenaar ex art. 201 lid 3, tweede alinea CDW worden aangemerkt?

Op deze vraag van de Hoge Raad over de reikwijdte van het begrip douaneschuldenaar in deze zaak, antwoordt het HvJ EU vervolgens:

Artikel 201, lid 3, tweede alinea, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 2700/2000, moet aldus worden uitgelegd dat onder het begrip „schuldenaar” van de douaneschuld in de zin van die bepaling mede moet worden begrepen de natuurlijke persoon die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van een structuur van handelsstromen, als die in het hoofdgeding, die een verlaging van de wettelijk verschuldigde invoerrechten tot gevolg heeft gehad, terwijl hij niet zelf de voor de opstelling van de douaneaangifte gebruikte verkeerde gegevens heeft verstrekt, wanneer uit de omstandigheden blijkt dat deze persoon wist of redelijkerwijze had moeten weten dat de handelingen waarop die structuur betrekking had niet waren uitgevoerd in het kader van normale handelstransacties, maar louter met het doel om de door het Unierecht toegekende voordelen op onrechtmatige wijze te verkrijgen. De omstandigheid dat deze persoon die structuur pas heeft bedacht en opgezet nadat hem door specialisten op het gebied van douanerecht was verzekerd dat die structuur wettig was, is in dit verband niet van invloed”.

Hoewel afhankelijk van de exacte feiten en omstandigheden van het geval, lijkt het HvJ EU derhalve een (zeer) ruime opvatting toe te zijn gedaan omtrent de reikwijdte van het douaneschuldenaarschap.

Het HvJ EU merkt daarbij op dat een uitlegging in een situatie dat vaststaat dat personen een structuur van vennootschappen en handelstransacties hebben opgezet om de realiteit van de betrokken handelingen voor de douaneautoriteiten te verhullen, dat enkel de personen die de voor het opstellen van de aangifte benodigde gegevens hebben verstrekt als schuldenaar van de douaneschuld kunnen worden beschouwd, ingaan tegen de doelstelling die met deze bepaling wordt nagestreefd. Dientengevolge worden in zo’n geval personen als vader X, die nauw en bewust betrokken is geweest bij het bedenken en op kunstmatige wijze opzetten van de structuur waardoor douaneaangiften werden opgesteld op basis van gegevens die tot  gevolg hebben dat niet de wettelijk verschuldigde rechten worden geheven, geacht betrokken te zijn geweest bij de handelingen in verband met het verstrekken van deze gegevens. Hij is dan, voor de toepassing van art. 201, lid 3, tweede alinea CDW, een persoon die deze gegevens heeft verstrekt. Bovendien wordt hij in deze omstandigheden geacht redelijkerwijze te hebben geweten dat de door die structuur gegenereerde gegevens, waarop de douaneaangifte is gebaseerd, verkeerd waren. Dat voordien specialisten hem hebben verzekerd dat die structuur wettig was, is hierop naar het oordeel van het HvJ EU niet van invloed.

Dit betekent dat het HvJ EU voor de heffing van rechten ingevolge een douaneschuld het kennelijk juist acht om de bepalingen van het douanewetboek zodanig ruim uit te leggen dat hier bij wijze van fictie (‘hij wordt geacht de gegevens te hebben verstrekt en hij wordt geacht te hebben geweten dat die gegevens verkeerd waren’) een schuldenaar wordt gecreëerd die daar binnen de tekst van de wet zeker niet onder zou vallen.

Ook met een advies van deskundigen kan deze schuldenaar aansprakelijkheid voor de heffing van de douanerechten niet ontlopen. De reden voor de Hoge Raad om deze vraag aan het HvJ EU voor te leggen, namelijk dat een ruime uitleg van deze bepaling wellicht te veel rechtsonzekerheid schept, is voor het HvJ EU in deze geen sta in de weg.

Wij vermoeden dat in de nabije toekomst de grenzen van het douaneschuldenaarschap (meer) helder zullen worden. Het is goed denkbaar dat met het antwoord van het HvJ EU in de hand, de fiscus ook (rechts)personen ‘in de periferie’ – en mogelijk zelfs betrokken adviseurs – mede aansprakelijk zal (pogen te) houden voor douaneschulden! In elk geval in misbruik-situaties. Zonder dergelijk misbruik zou zo’n ruime uitleg naar onze mening niet toegelaten moeten worden.