Boetebeschikking niet op juiste wijze bekend gemaakt; terugverwijzing bezwaar tegen boete

De inspecteur heeft op 14 oktober 2015 aan belanghebbende voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting, alsmede een beschikking belastingrente en een (vergrijp)boete opgelegd. De inspecteur heeft de bezwaren hiertegen niet-ontvankelijk verklaard, nu deze medio 2018 door belanghebbende zijn ingediend. De bezwaren zijn vervolgens aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering en deze zijn afgewezen. Belanghebbende gaat in beroep en stelt dat de aanslag, de belastingrente en de boete niet op de juiste wijze zijn bekendgemaakt nu hij deze wegens detentie niet heeft ontvangen.

In geschil in hoger beroep is onder andere of belanghebbende de aanslag en de beschikkingen heeft ontvangen.

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat de aanslag en de beschikkingen op de juiste wijze bij de postdienst zijn aangeboden. De inspecteur heeft toegelicht het adres van belanghebbende aan de hand van de klantenadministratie BRP van de Belastingdienst te hebben vastgesteld. Niet is gebleken dat de inspecteur een aanwijzing heeft gehad dat belanghebbende gedetineerd was. Belanghebbende heeft toegelicht dat zijn (rancuneuze) ex-partner niet de desbetreffende post aan hem heeft overhandigd. Voor wat betreft de aanslag en de rentebeschikking vindt het Hof de verklaring van belanghebbende onvoldoende; het Hof vindt dat voldoende aannemelijk is dat de aanslag en de rentebeschikking op de juiste wijze zijn bekend gemaakt. In zoverre wordt het hoger beroep van belanghebbende afgewezen.

Het Hof overweegt dat de inspecteur dient te bewijzen dat belanghebbende de boetebeschikking heeft ontvangen. Dit vloeit voort uit het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2019 (ECLI:NL:HR:2019:1102) waarin dit is uitgemaakt voor bezwaarschriften tegen boetes die zijn ingediend vóór 1 augustus 2019. Als bewijs voert de inspecteur een verzendrapportage aan. Volgens het Hof is dit een aanwijzing van ontvangst maar gelet op de bescherming die artikel 6 EVRM biedt is dit onvoldoende om te bewijzen dat belanghebbende de boetebeschikking daadwerkelijk heeft ontvangen. Ook de inspecteur heeft tijdens de zitting erkend dat hij de ontvangst niet kan bewijzen. Op basis hiervan gaat het Hof ervan uit dat belanghebbende de boetebeschikking niet heeft ontvangen waardoor deze niet op de juiste wijze is bekendgemaakt. Dit heeft tot gevolg dat de termijnoverschrijding wat betreft de vergrijpboete verschoonbaar is.

Het Hof komt al met al tot hetzelfde oordeel als de Rechtbank, namelijk dat de zaak terugverwezen wordt naar de inspecteur voor een inhoudelijke beoordeling van de opgelegde boete.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2020:1768