Boeten van 50% voor niet opgegeven betalingen die naar het oordeel van de Rechtbank geen onkostenvergoedingen zijn maar (belastbare) inkomsten

Belanghebbende is werkzaam in de thuiszorg en ontplooit deze activiteiten in de vorm van een eenmanszaak. Belanghebbende heeft meerdere opdrachtgevers en heeft ter zake van de inkomsten aangiften inkomstenbelasting ingediend. Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de inspecteur correcties toegepast en navorderingsaanslagen en vergrijpboeten opgelegd van 50%.

De inspecteur heeft correcties toegepast ter zake van inkomen uit sparen en beleggen die in het geheel niet zijn opgegeven. Verder heeft de inspecteur correcties toegepast op ontvangen vergoedingen die naar het oordeel van belanghebbende dienen als onkostenvergoedingen. De Rechtbank is – samen met de inspecteur – van oordeel dat dit inkomen betreft en dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit bedrag aan belanghebbende is betaald ter zake van onkostenvergoedingen.

Ten aanzien van de vergrijpboeten overweegt de Rechtbank dat de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van opzet op de beboetbare feiten. De Rechtbank is van oordeel dat de ontvangen bedragen inkomsten vormen en dat belanghebbende deze bedragen, ondanks het feit dat deze zowel absoluut als relatief aanzienlijk zijn, niet in haar aangiften inkomstenbelasting heeft opgenomen. Gelet op de aard en omvang van de niet aangegeven inkomsten, kan het naar het oordeel van de Rechtbank niet anders zijn dan dat belanghebbende zich ervan bewust is geweest dat als gevolg van haar handelwijze onjuiste aangiften werden gedaan en te weinig belasting zou worden geheven. De Rechtbank acht opzet dan ook aanwezig en acht vergrijpboeten van 50%onder de gegeven omstandigheden, waaronder de omstandigheid dat de aanslagen met omkering van de bewijslast zijn opgelegd, passend en geboden.

Rechtbank Den Haag 17 augustus 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:15909

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:15909