Boeteoplegging aan fiscale eenheid op grond van de wet mogelijk

Belanghebbende is sinds 1 juli 2016 een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. Belanghebbende heeft voor het eerste kwartaal van 2018 aangifte omzetbelasting gedaan naar een te betalen bedrag van € 249.993. Dit bedrag is niet tijdig voldaan. De inspecteur heeft om die reden een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd en een verzuimboete opgelegd van het wettelijk maximum, zijnde € 5.278.

In geschil is of aan belanghebbende een boete kan worden opgelegd en zo ja, of de boete gematigd moet worden.

De Rechtbank overweegt dat de verzuimboete is opgelegd op grond van art. 67c van de Awr. Uit dat artikel volgt dat aan de belastingplichtige die aan de daar omschreven voorwaarden voldoet een boete kan worden opgelegd. Dit artikel regelt niet alleen voor welk feit een boete kan worden opgelegd, maar richt zich ook tot het rechtssubject. Bij kwaliteitsdelicten is het rechtssubject met de specifieke hoedanigheid of kwaliteit waartoe de boetebepaling zich richt, in dit geval de belastingplichtige, de pleger. Omdat in dit geval de fiscale eenheid de belastingplichtige is, is zij degene tot wie het artikel zich richt en degene die de beschreven overtreding begaat en derhalve beboet kan worden. De Rechtbank is om die reden van oordeel dat er een wettelijke grondslag is om aan de fiscale eenheid een boete op te leggen.

Met betrekking tot de hoogte van de boete overweegt de Rechtbank dat financiële omstandigheden aanleiding kunnen zijn om tot matiging van de boete over te gaan. Dat belanghebbende bij de ontvanger een beroep op betalingsonmacht is gedaan, doet naar het oordeel van de Rechtbank aan het verzuim niet af. Of de boete passend en geboden is moet de Rechtbank beoordelen met inachtneming van de omstandigheden waarin belanghebbende ten tijde van de beroepsprocedure verkeert. Alleen wanneer sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over het ontbreken van draagkracht, is de Rechtbank gehouden zijn uitspraak op dat punt van een nadere motivering te voorzien. Belanghebbende heeft op dit punt geen stukken overgelegd, zodat de draagkracht van belanghebbende niet kan worden beoordeeld. De Rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding de boete te matigen. De Rechtbank acht de boete passend en geboden.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:3640