Boetes voor box-2- en box-3-inkomen bij zwartsparen; geen matiging wegens samenloop

Belanghebbende heeft in de onderhavige jaren (2003 t/m 2014) een bankrekening in Zwitserland gehad waarop hij omzetten stortte vanuit een BV  waarvan hij enig aandeelhouder en bestuurder was. Het saldo van de rekening betrof in 2003 € 55.000 en in 2014 € 632.964. Het Central Liaison Office (CLO) van de Belastingdienst heeft in 2015 bij de Zwitserse bank een groepsverzoek ingediend betreffende Nederlandse rekeninghouders. Dit is kort daarna ook in het nieuws verschenen. In 2016 heeft belanghebbende een beroep gedaan op de inkeerregeling en de inspecteur medegedeeld dat hij een bankrekening had in Zwitserland. De inspecteur heeft vervolgens ten aanzien van de jaren 2003 t/m 2014 navorderingsaanslagen IB alsmede vergrijpboetes opgelegd.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht zijn opgelegd.

Eerst oordeelt de Rechtbank dat de inkeerregeling niet van toepassing is nu belanghebbende gelet op de mediaberichten in Nederland wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat de inspecteur op de hoogte zou raken van zijn rekening bij de Zwitserse bank waardoor geen sprake is van vrijwillige inkeer. De inkeerregeling staat dus niet aan de boetes in de weg.

Belanghebbende voert ten aanzien van de boetes aan dat ten onrechte geen cautie is verleend. De Rechtbank overweegt dat de cautie slechts aan een verdachte zelf kan worden gegeven. Nu in casu belanghebbende slechts via de adviseur met de inspecteur heeft gecommuniceerd en van de mogelijkheden voor een hoorgesprek heeft afgezien, behoefde er geen cautie te worden gegeven.

Belanghebbende beroept zich verder, mede onder verwijzing naar art. 55 Sr en 56 Sr, op het feit dat de boetes moeten worden verminderd wegens samenloop van strafoplegging van strafbare feiten. Er zijn boetes opgelegd ten aanzien box 2 (40% ten aanzien van de heffing over de niet opgegeven uitdelingen vanuit de BV naar privé) en ten aanzien van box 3 (50% voor de jaren tot en met 2007 en 150% voor de jaren daarna). De Rechtbank is echter van oordeel dat geen sprake is van twee verschillende beboetbare feiten per aangifte. Het doen van onjuiste aangifte valt niet uiteen in meerdere beboetbare handelingen, ongeacht of de aangifte een of meerdere onjuistheden bevat of in welke mate de aangifte onvolledig is. Het jaarlijks indienen van onjuiste aangifte is dan ook niet aan te merken als een voortgezette handeling in de zin van art. 56 Sr.

De Rechtbank acht de boetes passend en geboden. De boetes worden nog wel met 10% verminderd wegens overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:5815