Boetes voor thuiszorginstelling die ‘freelance-contracten’ afsloot met personen die aanvankelijk op loonlijst stonden

Belanghebbende exploiteert een thuiszorginstelling in de vorm van een eenmanszaak. Aan mensen met een zorgbehoefte wordt hulp geboden bij het aanvragen van zorg en het verkrijgen van een persoonsgebonden budget. Vervolgens wordt de volgens het zorgplan benodigde zorg door een van de aangewezen medewerkers van belanghebbende geleverd.

Belanghebbende maakt gebruik van medewerkers die op de loonlijst staan, maar ook van diensten van medewerkers die niet op de loonlijst staan. De inspecteur stelt dat er geen verschil in werkzaamheden is tussen degenen die in dienstbetrekking werken en de werkzaamheden van de freelancers. Ook worden allen gelijk behandeld door belanghebbende. Om die reden zijn naheffingsaanslagen loonbelasting opgelegd met vergrijpboeten over de jaren 2012, 2013 en 2014 van respectievelijk € 26.202, € 67.960 en € 103.207. In geschil is onder meer of de vergrijpboeten terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Ten aanzien van de boetes overweegt de Rechtbank dat de inspecteur aanvankelijk heeft gesteld dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet, omdat belanghebbende zich redelijkerwijs had moeten realiseren dat sprake was van een dienstbetrekking en zij moest vermoeden dat de administratie niet conform de wettelijke voorschriften is gevoerd. Ter zitting heeft de inspecteur echter erkend dat deze feitelijke omschrijving leidt tot grove schuld en niet tot (voorwaardelijk) opzet.

De Rechtbank is van oordeel dat belanghebbende zich, mede gegeven de omvang van haar onderneming en de hoeveelheid personen van wie zij diensten afnam, ervan had dienen te vergewissen wat de fiscale gevolgen van de betreffende arbeidsrelatie zouden zijn, te meer nu personen die aanvankelijk op de loonlijst stonden met het sluiten van een ‘arbeidsovereenkomst freelancer’ buiten het bereik van de loonheffingen werden gebracht. Belanghebbende had zich ervan moeten vergewissen of zij daarmee fiscaal aanvaardbaar handelde. Zij had naar het oordeel van de Rechtbank redelijkerwijs moeten weten dat met haar handelwijze te weinig belasting zou worden afgedragen. Dat belanghebbende niet persoonlijk heeft geprofiteerd van de te weinig afgedragen belasting leidt niet tot een ander oordeel. De Rechtbank acht vergrijpboetes van 25% passend en geboden.

Rechtbank Gelderland 8 september 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:4583

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2017:4583