Broers en financieel directeur zijn veroordeeld voor belastingfraude in het kader van het zgn. project Montenegro

Verdachte wordt (onder meer) verdacht van valsheid in geschrift, opzettelijk indienen van onjuiste aangiften vennootschaps- en omzetbelasting al dan niet gepleegd als feitelijk leidinggever.

Ten laste van verdachte acht het Hof bewezen dat hij zich als feitelijk leidinggever schuldig heeft gemaakt aan belastingfraude en valsheid in geschrift. Verdachte was samen met zijn broer en een medeverdachte (financieel directeur) initiatiefnemer van het zogeheten project Montenegro. Zij hebben op 6 maart 2001 een koopovereenkomst inzake de aankoop van een (nog te realiseren) vakantieresort laten opmaken. Die overeenkomst stemde niet overeen met de werkelijkheid. Volgens de overeenkomst zou namelijk sprake zijn van een concreet vakantieresort, van ontwerpdocumentatie, van onderhandelingen over de grondprijs en een joint venture met de plaatselijke autoriteiten. In werkelijkheid bestond slechts het idee om het project te realiseren.

De overeenkomst behelsde dus geen weergave van bestaande over en weer rechtens afdwingbare verplichtingen, maar gaf naar het oordeel van het Hof een onjuiste (schijn)voorstelling van zaken. Desalniettemin is de overeenkomst gebruikt om te doen voorkomen dat een voornemen tot vervanging c.q. herinvestering bestond.

Voorts is door verdachte (als feitelijk leidinggever) ten onrechte een beroep gedaan op de willekeurige afschrijvingsregeling ten aanzien van een onroerende zaak in de aangifte(n) vennootschapsbelasting. Gelet op alle feiten en omstandigheden acht het Hof bewezen dat verdachte de toepassing van de willekeurige afschrijvingsfaciliteit door een dochtermaatschappij ertoe strekte dat in de toekomst te weinig vennootschapsbelasting zou worden geheven. Anders dan de A-G heeft berekend (een bedrag van € 1.727.402), kan het exacte belastingnadeel niet worden vastgesteld aan de hand van het procesdossier. Gelet op het feit dat sprake is van een aanzienlijk bedrag aan ten onrechte toegepaste afschrijving, stelt het Hof evenwel vast dat het nadeel zeer groot is.

Verder heeft het Hof kennisgenomen van de omstandigheid dat verdachte persoonlijk failliet is verklaard, geen werk heeft en geen inkomen geniet, hij noodgedwongen bij zijn schoonmoeder inwoont en gezondheidsproblemen kent in de vorm van nierfalen en diabetes.

Alles overwegende – waaronder het feit dat de redelijke termijn is overschreden – veroordeelt het Hof verdachte tot een gevangenisstraf van 21 maanden.

Ook de financieel directeur en de broer van verdachte zijn door het Hof veroordeeld voor bovengenoemde feiten. De financieel directeur is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 66 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, waarbij een taakstraf van 120 uur en een geldboete van € 8.000 zijn opgelegd. De broer van verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 16 maanden.

Gerechtshof β€˜s-Hertogenbosch 26 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4677

Gerechtshof β€˜s-Hertogenbosch 26 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4678

Gerechtshof β€˜s-Hertogenbosch 26 oktober 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:4676

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4677

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4678

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2017:4676