Conclusie A-G Niessen: het heffen van revisierente is geen ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM

A-G Niessen heeft een conclusie genomen over (onder meer) de vraag of de heffing van revisierente op grond van artikel 30i AWR een sanctie in de zin van artikel 6 EVRM betreft.

Belanghebbende heeft ter zake van de staking van zijn VOF in 1998 en de inbreng van zijn aandeel daarin, in een BV lijfrente bedongen. De aandelen in de BV zijn tot 1 maart 2010 gehouden door de Beheer BV. De aandelen in Beheer BV zijn voor 50 procent in handen van de persoonlijke houdstervennootschap van belanghebbende. Beheer BV heeft de aandelen in de BV per 1 maart 2010 verkocht aan derden. Bij de verkoop is overeengekomen dat de lijfrenteverplichting van de BV jegens belanghebbende en zijn firmant wordt overgedragen en betaald aan Beheer BV. Op 22 juni 2010 wordt de lijfrenteverplichting bijgeschreven bij de persoonlijke houdstermaatschappij van belanghebbende.

Het Hof heeft geoordeeld dat de inspecteur de lijfrente terecht als negatieve uitgaven voor inkomensvoorziening in aanmerking heeft genomen en terecht revisierente en heffingsrente in rekening heeft gebracht.

In de conclusie gaat de A-G in op de vraag of het heffen van revisierente een ‘criminal charge’ is in de zin van artikel 6 EVRM. De A-G is van mening dat, gelet op de parlementaire geschiedenis, van de heffing van revisierente een prohibitieve werking uitgaat. Het door de wetgever nagestreefde doel om, door de heffing van revisierente, een belastingplichtige die in strijd met de voorwaarden voor premie-aftrek heeft gehandeld, hetzelfde te behandelen als een belastingplichtige die een netto-inkomen heeft gespaard, heeft echter geen leedtoevoeging op het oog. Dit neemt volgens de A-G niet weg dat belastingplichtigen de regeling, doordat zij de situatie na afkoop vergelijken met de situatie waarin zij wel premie-aftrek kregen, wel als leedtoevoeging kunnen ervaren.

Alles tegen elkaar afwegend komt de A-G tot de slotsom dat de revisierente weliswaar punitieve aspecten kent, maar dat het reparatoire karakter voorop staat. Er is volgens de A-G derhalve geen sprake van een ‘criminal charge’ in de zin van artikel 6 EVRM.

Parket bij de Hoge Raad, 16 februari 2018 (ECLI:NL:PHR:2018:159)

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2018:159