De gronden waarop de boete berust dienen uiterlijk bij de oplegging van de boete aan de belanghebbende te worden meegedeeld

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag opgelegd naar aanleiding van een boekenonderzoek. In het hieruit opgemaakte controlerapport heeft de inspecteur aangekondigd dat vergrijpboetes van 50% van de nageheven omzetbelasting zullen worden opgelegd op basis van art. 67f AWR en art. 10a AWR. Het gaat dus om twee verschillende beboetbare feiten. Aangekondigd is dat er twee boetes van elk € 25.000 zullen worden opgelegd.

Op het aanslagbiljet is expliciet toegelicht dat de boete van € 50.000 is gebaseerd op art. 67f AWR en dat belanghebbende reeds over de gronden is geïnformeerd. In geschil is of de boete(s) terecht zijn opgelegd.

Het Hof oordeelt dat, aangezien het aanslagbiljet slechts vermeldt dat de boete gebaseerd is op art. 67f AWR, belanghebbende redelijkerwijs mocht aannemen dat overtreding van het voorschrift in art 10a AWR haar niet meer werd verweten. Eventuele twijfel dient, gezien de meervoudige aankondiging in het controlerapport, en gelet op de aard van een boete en de daarbij behorende verdedigingsrechten te blijven voor rekening en risico van de inspecteur.

De AG oordeelt dat het Hof terecht heeft getoetst of de verdediging in haar belang is geschaad. Het behoeft volgens de AG geen verdere uitleg dat een belanghebbende op de hoogte moet zijn van de beschuldiging. Vervolgens benadrukt de AG dat ingevolge o.a. het EHRM een boetebeschikking de formalisering is van de beschuldiging. Het is dus formeel vereist dat een boetebeschikking de materiële gronden van de ten laste legging bevat. Vervolgens kan dan worden bezien of op correcte en heldere wijze is verwezen naar de eerder gegeven motivering. In het onderhavige geval behoeft dus niet aan de feitelijke discussie toe te worden gekomen omdat het ontbreken van de wetsbepaling fataal is voor de boete.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond dient te worden verklaard.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2020:420