De Rechtbank acht geen grond aanwezig tot matiging van de verzuimboete wegens te laat betalen loonheffingen

Belanghebbende betaalt de verschuldigde loonheffing 15 dagen te laat en krijgt daarvoor een boete van € 2.209. Op 25 juni 2019 is aangifte loonheffingen gedaan voor het tijdvak juni 2019. Op basis van de aangifte is een bedrag van € 73.654 verschuldigd. Belanghebbende betaalt dit echter niet vóór de uiterste betaaldatum van 31 juli 2019 maar pas op 15 augustus 2019. De inspecteur legt op 22 augustus 2019 een naheffingsaanslag op van € 73.654 met een verzuimboete van € 2.209.

In geschil is de hoogte van de verzuimboete waarbij belanghebbende zich op het standpunt stelt dat de verzuimboete niet in verhouding staat tot het verzuim.

Voor de beantwoording van de vraag of de boete in verhouding staat tot de ernst van het gepleegde feit dient naar het oordeel van de Rechtbank te worden nagegaan onder welke feiten en omstandigheden het verzuim is gepleegd. Belanghebbende heeft aangevoerd dat sprake is van een ongelukkige samenloop van omstandigheden. Door miscommunicatie en de vakantieperiode zou de verschuldigde loonheffingen te laat zijn voldaan.

In de door belanghebbende aangedragen feiten en omstandigheden die hebben geleid tot de te late betaling ziet de Rechtbank geen aanleiding om de boete te matigen. Het is de inspecteur toegestaan om bij een verzuim een boete op te leggen van 3% van het bedrag aan belasting dat niet is betaald. De Rechtbank acht de boete, gelet op de hoogte van de verschuldigde loonheffingen, proportioneel. De Rechtbank begrijpt dat de boete een fors bedrag is, maar ziet geen grond om de boete te verminderen.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:5123