Degene die de aangiften voorbereid voor de vennootschap die is uitgenodigd aangiften omzetbelasting te doen, kan niet als pleger van de onjuist ingediende aangiften worden aangemerkt, wel als feitelijk leidinggever

Verdachte wordt tenlastegelegd dat hij als feitelijk leidinggever van X BV opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting heeft ingediend. Verdachte was geen aandeelhouder en ook niet in loondienst van X BV, maar verzamelde slechts alle gegevens uit de administratie voor de accountant en deed de aangiften omzetbelasting.

Het Hof stelt vast dat de tenlastelegging in de kern ziet op het doen van de aangiften omzetbelasting door verdachte zelf. Voor een veroordeling is in dat kader vereist dat verdachte zelf aangifteplichtig is en in dat verband moet zijn uitgenodigd tot het doen van aangifte. Uit het procesdossier komt naar voren dat X BV als belastingplichtige voor de omzetbelasting is uitgenodigd. Derhalve kan verdachte niet worden aangemerkt als pleger van het onjuist doen van die aangiften.

Het Hof acht wel bewezen dat verdachte opzettelijk als feitelijk leidinggever onjuiste aangiften omzetbelasting heeft gedaan. Verdachte had immers tot taak de aangiften omzetbelasting van X BV klaar te maken voor indiening, terwijl hij 36 inkoopfacturen heeft ingeboekt zonder het bestaan van deze facturen verifiëren.

Derhalve heeft X BV aangiften omzetbelasting ingediend, die door verdachte waren ingevuld en klaargezet op basis van facturen die zich niet in de administratie bevonden. Daardoor werd een te hoog bedrag aan voorbelasting berekend en werd door de Belastingdienst een te hoog bedrag aan omzetbelasting terugbetaald. Het fiscale nadeel bedraagt ruim € 700.000.

Het Hof vindt het zwaar verwijtbaar dat verdachte de facturen heeft ingeboekt zonder het bestaan van die facturen te verifiëren. Daarmee heeft verdachte naar het oordeel van het Hof bewust de aanmerkelijke kans op de valsheid van de aangiften omzetbelasting aanvaard, waardoor opzet is bewezen.

Het Hof is van oordeel dat in het bijzonder gelet op de ernst van het bewezen verklaarde, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het Hof veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:4232