Doelgericht zoeken naar een gekunstelde formulering is geen pleitbaar standpunt

Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag loonbelasting, alsmede een vergrijpboete van 50% opgelegd.

Belanghebbende heeft een aantal werknemers optierechten toegekend, inhoudende dat zij het recht verkrijgen van certificaten van aandelen in een tot een concern behorende vennootschap. Vervolgens werd besloten tot een beursgang, waarna de optiehouders tegen een vergoeding afstand van het optierecht deden. Zij hebben door middel van een overeenkomst verklaard geen gebruik te zullen maken van de optierechten. De vergoeding is niet in de aangifte loonbelasting van belanghebbende opgegeven. De inspecteur heeft na een ingesteld boekenonderzoek een naheffingsaanslag loonbelasting met vergrijpboete opgelegd. In geschil is onder meer de vraag of de vergrijpboete ter zake van (voorwaardelijk) opzet terecht is opgelegd.

Het Hof is van oordeel dat de overeenkomsten om geen gebruik te zullen maken van de optierechten in feite neerkomen op het doen van afstand van deze rechten. Op grond van de wetsgeschiedenis concludeert het Hof dat de overeenkomsten als vervreemding moeten worden aangemerkt.

Ten aanzien van de vergrijpboete is het Hof – anders dan de Rechtbank in eerste aanleg –  van oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet. Gelet op de dubbele rol van de belastingadviseur van het concern die tevens bestuurder was van de Stichting Certificering worden alle activiteiten van de belastingadviseur toegerekend aan het concern.

Voorts overweegt het Hof dat belanghebbende voldoende kennis had van de geldende wet- en regelgeving en heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof doelgericht gezocht naar een gekunstelde formulering dan wel een constructie, om de vergoeding niet onder de geldende wet- en regelgeving te laten vallen. Naar het oordeel van het Hof is deze weg niet verdedigbaar en faalt het beroep op een pleitbaar standpunt.

Na toetsing aan het proportionaliteitsbeginsel matigt het Hof de boete vanwege een wanverhouding tussen de hoogte van de boete (€ 626.194) en de ernst van de feiten. Nu eveneens sprake is van overschrijding van de redelijke termijn ziet het Hof aanleiding om de boete in zijn totaliteit tot 15% te matigen.

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 28 april 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:1706

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2016:1706