Een voortvarende behandeling van het hoger beroep kan onder voorwaarden de overschrijding in de eerdere fase compenseren.

Aan belanghebbende zijn naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd over de jaren 2010 tot en met 2012. Tevens heeft de inspecteur vergrijpboetes opgelegd, omdat naar zijn mening sprake is van het opzettelijk te weinig betalen van omzetbelasting door bewust gebruik te maken van een afroommodule om een deel van de omzet niet op te geven aan de Belastingdienst.

Belanghebbende is een fiscale eenheid en bestaat uit verschillende vennootschappen. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het exploiteren van een wokrestaurant.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot het juiste bedrag zijn opgelegd.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat aan haar, een fiscale eenheid, geen boete voor de omzetbelasting kan worden opgelegd. Het Hof overweegt dat een fiscale eenheid de belastingplichtige is voor de omzetbelasting. De strafbepaling waarop de boetegrondslag is gebaseerd, is gericht tot de belastingplichtige. De inspecteur heeft een boete opgelegd wegens het opzettelijk niet betalen van omzetbelasting. Nu belanghebbende als belastingplichtige voor de omzetbelasting kwalificeert, is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een situatie waarin een wettelijke grondslag voor het opleggen van de vergrijpboetes ontbreekt.

In beginsel bedraagt een vergrijpboete bij opzet 50%. In gevallen waarbij sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning kan een vergrijpboete worden opgelegd tot ten hoogste 100%. Naar het oordeel van het Hof is in het onderhavige geval sprake van listigheid doordat belanghebbende omzet heeft verzwegen die door gebruik van een usb-stick met een geraffineerde afroommodule buiten de boekhouding is gehouden. Het Hof acht de opgelegde vergrijpboetes van 100% in beginsel dan ook passend en geboden.

Omdat de grondslag van de boete tot stand is gekomen na toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast, ziet het Hof aanleiding om een matiging van 10% toe te passen.

De inspecteur stelt zich verder op het standpunt dat de matiging door de Rechtbank in verband met de overschrijding van de redelijke termijn opnieuw moet worden beoordeeld. Een voortvarende behandeling van het hoger beroep zou de overschrijding immers kunnen compenseren.

Het Hof volgt de inspecteur niet in zijn stelling. Een compensatie van de overschrijding van de redelijke termijn in een eerdere fase (bezwaar en beroep) met een voortvarende behandeling in een latere fase (hoger beroep) is alleen aan de orde indien in de eerdere fase niet is geklaagd over de overschrijding van de redelijke termijn en evenmin ambtshalve is geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden. Een dergelijke situatie doet zich naar het oordeel van het Hof niet voor.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2019:1970