Eigenaar uitzendbureau die zwartwerkers in dienst had veroordeeld tot een taakstraf van 200 uur

Verdachte wordt verweten dat hij als feitelijk leidinggever onjuiste informatie aan de Belastingdienst heeft verstrekt c.q. onjuiste aangiften loonheffingen heeft gedaan, valse correctieberichten en urenoverzichten voor de loonheffingen heeft opgemaakt en dat hij geen aangifte voor de inkomstenbelasting heeft ingediend.

De Rechtbank heeft het OM allereerst niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van één tenlastegelegd feit, te weten het niet tijdig doen van aangifte voor de inkomstenbelasting, nu ter zake daarvan reeds verzuimboeten door de inspecteur zijn opgelegd.

Verdachte heeft personen die niet onder hun eigen naam wensten te werken, laten werken als uitzendkracht. Naar het oordeel van de Rechtbank is het een feit van algemene bekendheid dat personen die niet onder eigen naam wensen te werken niet gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten, dan wel een uitkering genieten. Daarnaast is het een feit van algemene bekendheid dat dergelijke personen genoegen nemen met een lager uurloon dan personen die wel onder eigen naam werken. Door op een dergelijke manier te handelen heeft verdachte een gunstigere concurrentiepositie gehad met zijn uitzendbureau ten opzichte van andere uitzendbureaus.

Naar het oordeel van de Rechtbank heeft verdachte als feitelijk leidinggever zich gedurende 3 jaar schuldig gemaakt aan het tezamen en in vereniging plegen van belastingfraude en valsheid in geschrift. Verdachte heeft ten onrechte het anoniementarief niet laten toepassen in de aangiften loonheffing. Doordat verdachte bewust onjuiste belastingaangiften heeft laten indienen, is uiteindelijk te weinig belasting afgedragen. Hierdoor is de Belastingdienst voor ongeveer € 130.000 benadeeld.

Ten aanzien van de strafmaat is de Rechtbank van oordeel dat verdachte vaker is veroordeeld ter zake van fraudes. De Rechtbank is van oordeel dat voor de bewezenverklaarde feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is, maar gezien het tijdsverloop, de overschrijding van de redelijke termijn en samenloop van feiten wordt dit niet meer opportuun geacht.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 200 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden, met een proeftijd van 2 jaar.

Rechtbank Den Haag 25 oktober 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:13680

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:13680