Forse vergrijpboetes voor handelaar in drugs

Belanghebbende was betrokken in een strafrechtelijk onderzoek naar het in georganiseerd verband grootschalig produceren van synthetische drugs en handel in drugs. In dat kader is door de politie een proces-verbaal opgemaakt met betrekking tot de verdenking van witwassen. De officier van justitie heeft de inspecteur toestemming gegeven voor het gebruik van gegevens uit het strafrechtelijk onderzoek.

De inspecteur heeft belanghebbende uitgenodigd om over de gevolgen van het strafrechtelijk onderzoek voor de inkomstenbelasting te spreken. Belanghebbende heeft daar niet op gereageerd. De inspecteur heeft vervolgens navorderingsaanslagen inkomstenbelasting opgelegd over de jaren 2010 tot en met 2013. Ook zijn er vergrijpboetes opgelegd over 2010 en 2011 van € 100.000 en over 2012 en 2013 van € 125.000.

In geschil is onder meer of de vergrijpboetes terecht en tot de juiste bedragen zijn opgelegd.

De Rechtbank is van oordeel dat de inspecteur erin is geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van opzet aan de zijde van belanghebbende. De Rechtbank acht het aannemelijk dat belanghebbende grote bedragen aan contanten heeft genoten en deze op geen enkele wijze heeft verantwoord in zijn aangiften terwijl het een feit van algemene bekendheid is dat die verplichting bestaat, ook als het gaat om inkomsten uit criminele activiteiten. De Rechtbank acht echter niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan listigheid, hetgeen wel door de Inspecteur als strafverzwarende omstandigheid was gesteld. Weliswaar heeft belanghebbende gebruik gemaakt van een buitenlandse bankrekening, maar de verweten gedraging in deze procedure ziet op het gebruik daarvan in Nederland.

Belanghebbende heeft geen persoonlijke feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de boetes zouden moeten worden gematigd. De Rechtbank ziet daarvoor ook geen aanknopingspunten in het dossier. Dit geldt ook voor de omstandigheid dat voor het jaar 2010 sprake is van een schatting. In dit geval is de schatting voor het grootste gedeelte gebaseerd op concrete gegevens. Wat de schatting betreft van de kosten voor het levensonderhoud is het naar het oordeel van de Rechtbank volledig aan belanghebbende te wijten dat de schatting op dit punt ‘ruw’ is. Alles bijeengenomen is dit onvoldoende om de boetes te matigen. De Rechtbank overweegt dat een andersluidend oordeel op dit punt ook weinig gevolg zou hebben aangezien de inspecteur de vergrijpboetes al flink heeft gematigd.

De vergrijpboete voor het jaar 2010 die door de inspecteur (uiteindelijk) is vastgesteld op € 100.000 blijft in stand. De vergrijpboete over 2011 is naar aanleiding van een nieuw ingenomen standpunt van de inspecteur in het verweerschrift vernietigd. Uit de uitspraak blijkt echter niet wat daarvan de achtergrond is. De boetes over 2012 en 2013 zullen worden verminderd tot 50%, omdat listigheid niet aannemelijk is gemaakt. De Rechtbank ziet ambtshalve aanleiding de boetes (verder) te verminderen met 5% (met een maximum van € 2.500) vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2019:2168