Fraude met aanvragen voorlopige teruggaaf bij de Belastingdienst

De verdenking in deze zaak luidt dat verdachte (samen met anderen) valselijk aanvragen voorlopige teruggaaf heeft opgemaakt en heeft ingediend bij de Belastingdienst.

Verdachte heeft naar het oordeel van de Rechtbank, aanvankelijk alleen en later samen met een medeverdachte, doelbewust via internet contact gezocht met personen die in financiĆ«le problemen zaten, en deze een lening aangeboden. Deze ‘lening’ bestond in de praktijk uit het indienen van een voorlopige aangifte bij de Belastingdienst waarbij onjuiste gegevens werden ingevuld zodat de Belastingdienst werd bewogen tot het ten onrechte opleggen van een negatieve aanslag en het (maandelijks) uitbetalen van een teruggaaf.

De Rechtbank rekent het verdachte aan dat hij door zijn handelwijze de betrokken personen in financiƫle problemen heeft gebracht. Verdachte bracht een provisie van 40% van het uitbetaalde belastinggeld in rekening terwijl de betrokken personen, nadat de Belastingdienst de definitieve aanslag had vastgesteld, het gehele genoten bedrag moesten terugbetalen.

De Rechtbank rekent verdachte voorts aan dat hij de Belastingdienst heeft gebruikt als financieringsmaatschappij. Bij de vaststelling van de omvang van de fraude houdt de Rechtbank rekening met de bewezenverklaarde verzoeken voorlopige teruggaaf, alsmede met de aangiften die zich in het dossier bevinden en die zien op een verzoek voorlopige teruggaaf.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf houdt de Rechtbank eveneens rekening met het reclasseringsrapport en het feit dat verdachte niet eerder ter zake een vermogensdelict in aanraking is geweest met justitie. De Rechtbank acht een taakstraf passend en geboden. Teneinde aan verdachte een waarschuwing mee te geven acht de Rechtbank het aangewezen daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De Rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 240 uur en tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Rechtbank Overijssel 28 oktober 2013, ECLI:NL:RBOVE:2013:4889

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2013:4889