Gebrekkige administratie van juwelier leidt tot vergrijpboetes

Belanghebbenden exploiteren in de vorm van een VOF (hierna: de VOF) een juwelierszaak. In dat kader houden zij zich onder meer bezig met de in- en verkoop van sloopgoud.

De inspecteur heeft bij de VOF een boekenonderzoek ingesteld waaruit is gebleken dat er geen kasboek werd bijgehouden. De bescheiden werden naar de accountant gebracht en die verwerkte de bescheiden eens in de paar werken in het kasboek. Van de verkopen aan de vaste opkoper werden Exceloverzichten gemaakt. De controlerend ambtenaar heeft verder vastgesteld dat de opbrengst van sloopgoud over de maand december 2011 ten onrechte niet in het kasboek was vermeld. Het betreft in totaal zes facturen met een totaalbedrag van € 1.128.602.

Belanghebbenden hebben verklaard dat zij deze facturen op verzoek van de vaste opkoper uit de administratie hebben gehaald. De bevindingen uit het onderzoek hebben geleid tot een omzetcorrectie. De inspecteur heeft de winst gecorrigeerd waarbij eveneens vergrijpboetes aan belanghebbenden zijn opgelegd ter zake van (voorwaardelijk) opzet. In geschil is (onder meer) of de vergrijpboetes terecht en naar de juiste bedragen zijn vastgesteld.

Belanghebbenden ontkennen dat sprake zou zijn van (voorwaardelijk) opzet. De Rechtbank is echter met de inspecteur van oordeel dat belanghebbenden een dusdanige gebrekkige administratie hebben gevoerd, dat daarmee willens en wetens de aanmerkelijke kans is aanvaard dat onjuiste aangiften zouden worden gedaan. De inspecteur noemt in dat verband, naar de Rechtbank overweegt terecht, de grote contante bedragen in relatie tot de onwaarschijnlijk weinige controle en vastlegging daarvan.

Derhalve heeft de inspecteur naar het oordeel van de Rechtbank bij de vaststelling van de aanslag terecht vergrijpboetes opgelegd. Gelet op de ernst van het vergrijp, acht de Rechtbank boetes van 50% passend en geboden. Gelet op de uitgangspunten die de inspecteur heeft gehanteerd bij de redelijke schatting ziet de Rechtbank geen aanleiding om de boetes te matigen op de grond dat de boetegrondslag is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.

De Rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn wel aanleiding om de vergrijpboetes met 10% te verminderen.

Rechtbank Den Haag 20 september 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:11568

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2016:11568